Binnenskamers, woordje van dank

Graag willen we hier onze dank betuigen voor de plaats die we kregen bij Radio Spes om een stukje apostolaat verder te laten reiken dan wat normaal binnen onze menselijke mogelijkheden valt. Met het programma "Binnenskamers" hebben we dat mooi kunnen ervaren. We presenteerden hierdoor bijna zeven jaar lang sterke en diepe teksten van heiligen en van geestelijke, ja zelfs mystieke auteurs. En dat voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God. Dat namelijk wat ons spiritueel leven betreft: een persoonlijke relatie met God, die zich in het bijzonder uitdrukt in de tijd die we nemen om expliciet met Hem samen te zijn. God is iemand, die een persoonlijke relatie met ieder van ons wil hebben. "Ik sta aan de deur en ik klop" zegt Jezus in de Apokalyps 3, 20. Hij is echter beleefd, en breekt niet binnen. Hij staat geduldig te wachten tot we Hem binnenlaten in ons hart.

"Maar als je bidt," zegt Jezus, "ga dan je binnenkamer in, doe de deur dicht, bid tot je Vader, die in het verborgene is; en je Vader, die in het verborgene ziet, zal het je lonen." En over Jezus zelf getuigen de evangelisten dat Hij zich eveneens terugtrok op een eenzame plaats, en daar meestal lange tijd bleef bidden.

De meeste mensen vinden echter niet zo makkelijk de toegang tot God. Waar is God dan wel? We zien hem niet zo onmiddellijk rondom ons. Met de positief wetenschappelijke kijk die we ingelepeld krijgen van kindsbeen af, is onze blik meer naar buiten gericht, naar het onmiddelijk begrijpelijke, zichtbare en tastbare. De deur waar Jezus Christus aan staat kloppen is echter geen buitendeur, maar een binnendeur. En we kijken jammergenoeg meestal naar de verkeerde kant.

Sint-Augustinus zegt ons dat het verlangen naar God het diepste verlangen is dat in ons mensenhart is ingeplant. God zelf heeft het in ons gelegd schrijft hij: "Gij hebt ons naar U toe geschapen en onrustig is ons hart tot wij in U geborgen zijn." 15 eeuwen later is dat nog niet anders.

In zijn beroemde "Belijdenissen" (boek X, XXVII,38) schrijft Sint-Augustinus eveneens: "Laat heb ik jou liefgehad, o schoonheid, zo oud en zo nieuw, laat heb ik jou liefgehad. Jij was binnen en ik was buiten; en daar zocht ik je, en ik rende, wanstaltig als ik was, op de schone dingen af die door jou gemaakt zijn. Jij was bij mij, maar ik niet bij jou. Ik werd weg, ver weg van je gehouden door dingen die niet hadden bestaan als ze niet in (en door) jou hadden bestaan."

"Jij was binnen en ik was buiten, en daar zocht ik je... Jij was bij mij, maar ik niet bij jou." Hoe waar is dat niet voor elke mens. Hoeveel meer kans bestaat er niet voor ons, om (met alle mogelijkheden en middelen die wij ter onzer beschikking hebben) met alle schone dingen die God gemaakt heeft, onszelf te verliezen en voorbij te rennen aan onszelf, en daardoor ook aan Hem die dit alles heeft gemaakt.

De bedoeling van deze uitzendingen zijn gefundeerd op de spiritualiteit van de "Vereniging van gelovigen en diens Spiritueel Centrum Sint-Jan-van-het-Kruis" te Mers-sur-Indre in Frankrijk. In 1998 heb ik die plek leren kennen dank zij de toenmalige president van het Seminarie Pater Jos Alaerts, en sindsdien heb ik me meer en meer ingewerkt in die spiritualiteit.

Deze spiritualiteit beoogt het geestelijk leven te bevorderen van de gelovigen die zoekende zijn om de diepgang ervan te vinden en in hun leven een plaats te geven. Het is gefundeerd op drie peilers:

Hopelijk hebben we jullie met die pareltjes vanuit onze rijke schat aan christelijke spirituele traditie gedurende al die jaren dat "Binnenskamers" jullie binnenkamer binnenstroomde toch iet of wat geholpen op jullie christelijke spirituele levensweg.

En we zullen langs andere wegen die uitdaging verder op ons nemen.


Maar toen God de tijd gekomen achtte en Hij Zich over het ongelukkig lot van zijn beminde ontfermde, zond Hij zijn eniggeboren Zoon naar de aarde in een rijk paleis en een glorieuze tempel, dat is het lichaam van de Maagd Maria. Daar trouwde Hij deze bruid, onze mensennatuur, en verenigde ze met zijn Persoon uit het zuiverste bloed van de edele Maagd. De priester, die de bruid trouwde, was de Heilige Geest. De engel Gabriël verkondigde de roepen (Vgl. Lc. 1, 26vv). De glorieuze Maagd gaf de toestemming. Zo heeft Christus, onze getrouwe Bruidegom onze natuur met Zich verenigd, en is Hij ons komen bezoeken in het vreemde land, en Hij heeft ons onderricht in hemelse levenswijze en in volmaakte trouw. Hij heeft geworsteld en gestreden als een voorvechter tegen onze vijanden, en Hij heeft onze gevangenis opengebroken en de overwinning behaald in de strijd; Hij heeft onze dood gedood door zijn dood, en ons verlost met zijn bloed en vrijgekocht door het doopsel met zijn levengevend water (vgl. Jo. 19, 34) en rijk gemaakt door zijn sacramenten en gaven, opdat wij door de beoefening van alle deugden zouden ’uitgaan', zoals Hij zegt, en Hem ook ’ontmoeten’ in het paleis der glorie en Hem zonder einde genieten in de eeuwigheid.

Uit het voorwoord van "De Geestelijke Bruiloft"

Zalige Jan van Ruusbroec de Wonderbare

Maer doet Gode tijt dochte, ende Hem dies doghens sire gheminder ontfaermde, doen sandt Hi sinen eenghebornen Sone in eertrijcke in eene rijckelijcke sale ende in eenen gloriosen tempel, dat was die lichame der maghet Marien. Daer trouwede Hi dese bruyt, onse natuere, ende vereenichde met sinen Persone vanden puersten bloeden der edelre Maghet. Die priester die de bruyt trouwede, dat Was die Heilighe Gheest. Die inghel Gabriel dede die ghebode. Die gloriose 5 Maghet gaf dat consent. Aldus hevet Cristus onse ghetrouwe Brudegom met Hem vereenicht onse natuere, ende hevet ons ghevisiteert in vremden lande, ende gheleert met hemelschen seden ende met volcommenre trouwen. Ende Hi hevet gheaerbeydt ende ghestreden als een kimpe jeghen onse vianden, 10 ende Hi hevet dat ghevanckenisse te-broken, ende den strijt verwonnen, ende onse doot ghedoot met sire doot, ende ons ghelost met sinen bloede, ende ghevrijt inder doopen met sinen watere, ende rijcke ghemaect met sinen sacramente ende met sinen gaven, op-dat wij ute-gaen met allen duegden, als Hi 15 spreect, ende Hem ontmoeten in die sale der glorien, ende Sijns ghebruken zonder inde inder eewicheyt.

Ruusbroec werken, Deel I, blz. 104