Binnenskamers

Negenenzestigste editie:
Het geestelijk leven van nabij bekeken. Deel IV.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraars.

In de vorige editie van binnenskamers hebben we verder gepoogd om de realiteit van ons geestelijk leven meer van nabij te bekijken. Het is hetgene dat we in al de bijdragen van binnenskamers als doel hebben gehad, en het zal nog wel een tijdje in het centrum van onze belangstelling blijven.

We hebben een paar edities geleden aan Romano Guardini, een groot spiritueel theoloog, gevraagd om ons uit te leggen wat er gebeurd is met Lucie Christine en Jeanne Schmitz-Rouli. Guardini werd geboren in Verona, Noord-Italië, in 1885 en overleed te München in Duitsland in 1968. Hij is een mooi voorbeeld van een contemplatieve theoloog.

Daarna zijn we bij Sint-Bernardus te rade gegaan, met een stukje waarop hij getuigt hoe hij God in zijn leven heeft ontdekt. Aan het einde stonden we stil bij de concrete, aanwijsbare dingen die in ons leven veranderen. Sint-Bernardus bracht ze ter sprake toen hij zich afvroeg langs waar God dan wel bij hem is binnengekomen, en hoe hij geweten heeft dat Hij daar was.

Daarna zijn we blijven stilstaan bij Moeder Theresa met haar spiritueel testament. Daar hebben we gezien dat het niet altijd rozegeur en maneschijn is als we Gods wil volgen in ons leven. En toch zien we daar dat zelfs die diepste nacht op onze spirituele levensweg nog niet donker en eenzaam genoeg is om ons van onze diepe vreugde en geluk te beroven. Daarin precies ontwaren we een zuivere overgave om in alles Gods wil te doen.

De vorige editie eindigden we met het beeld van een venster dat Sint-Jan-van-het-Kruis ter hand neemt. Hij gebruikt dat beeld om ons het proces te verhelderen van omvorming in ons geestelijk leven. Hij zegt dat degene die het Evanglie doorgeeft, het doorgeeft niet door reflectie, maar door transparantie. Met het voorbeeld van een venster, zegt hij dat als we het venster kunnen zien dan betekent dit dat we het licht slecht doorgeven. M.a.w. als we moeten evangeliseren, moeten we omgevormd worden in het licht van God. Daarvoor moeten we zuiver zijn. Een venster is geen spiegel. We mogen het Woord van God dus niet weerkaatsen. En het gevolg dat we omgevormd worden door het licht van God is, dat het God is die evangeliseert (door ons), maar het zijn niet wij die evangeliseren.

Dit komt velen echter als ontoelaatbaar over. Als we louter vanuit een menselijke manier naar het Evangelie kijken, zijn er weinig christenen en pastores die zullen toegeven dat dit werk van eenheid met God boven alles gaat. Want wij zijn namelijk geneigd om de vrijgevigheid met de caritas of naastenliefde te verwarren. We denken dat het Evangelie een product is dat we moeten exporteren en dat we moeten geven, daar waar het een boodschap is, (goed) nieuws, een openbaring. Er is geen andere manier van iets aan te kondigen, te openbaren dan door ervan te leven.

Muziek nr1: Ik kom met mijn genade om uw hart te raken en uw leven te transformeren (om te vormen). Ik kom met mijn vrede, die vrede en sereniteit gaat brengen tot uw ziel. Ik ken u van binnen en vanbuiten. Ik ken alles van u. Zelfs de haren op je hoofd, ik heb ze allen geteld. Niets van uw leven is zonder belang in mijn ogen. Ik heb u doorheen al die jaren gevolgd en ik heb je altijd bemind, zelfs toen je op dwaalwegen waart. Ik ken elk van uw problemen. Ik ken uw noden en zorgen.

Tekst nr2:

Jezus zegt ons in het 6e hoofdstuk van Sint Jan op de vraag van zijn toehoorders: Wat moeten we doen om de werken van God te verrichten? Zijn antwoord luidt als volgt: "Het werk van God is dat jullie geloven." Méér is het niet. Het ben ik niet die het zeg, het is Jezus. Maar 2000 jaar lang lezen we dat wel, maar we zeggen: "Ja, maar ik moet onze goede God toch helpen, hij heeft zoveel te doen... en het is zo dat we de charitate vervangen door de generositeit. En we gedragen ons zoals ouders die denken hun kinderen lief te hebben door steeds meer uit te geven om speelgoed te kopen, maar ze nemen amper of nooit de tijd om ermee te spelen of om hen als persoon echte aandacht te geven. En toch denken ze dat ze door hun kinderen te overladen met geschenken, hen liefhebben en beminnen.

Hetzelfde geldt in onze dienst aan God. Als je op zondag aan de mensen tijdens de preek vraagt om geld te geven tegen de honger in Afrika, zullen ze wellicht onmiddellijk naar hun geldbuidel tasten, maar als je hen vraagt om na de mis 5 minuten tijd te nemen voor aanbidding of om eenvoudig beschikbaar te zijn voor de Heer, want Hij is daar, dan kan dat niet want ze hebben iets te doen, ik heb vrienden, ik moet de aardappelen van het vuur halen, enz.

De meeste mensen zullen zeggen, dat dit tot niets dient. Dat wil zeggen dat ze ervan uitgaan dat liefhebben zogezegd tot iets moet dienen. Maar als het tot iets anders moet dienen dan de liefde voor diegene die men liefheeft, dan is het niet liefhebben.

Ik herinner me een huisvader, die een mooi geschenk had gegeven aan zijn zoon, en hij (de vader) wou me laten zien, hoe het werkte. En hij zei aan zijn zoon, "maar neen, je weet niet hoe het werkt", maar de zoon amuseerde zich ermee, maar niet zoals de vader het had voorzien. Maar wat de vader in feite wou, dat was zelf ermee te spelen, maar de zoon... die telde niet mee. Het geschenk was een voorwendsel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van. En ik denk dat veel van onze pastorale initiatieven er meer zijn om onszelf plezier te doen en in een goed daglicht te stellen, dan wel onze Lieve Heer. We doen het uiteraard in naam van de Heer. We moeten weten dat dit niet onbelangrijk is. Het wil in feite zeggen dat we de Heer voor onze kar spannen in plaats van Hem echt te dienen!

Muziek nr2:

Tekst nr3:

Goed, we gaan nu de eerste paragraaf lezen die het gebed samenvat. Het is God die het in ons verricht. Laurenzo Scupoli is de geestelijke leider van de Heilige Franciscus van Sales.

In zijn liefde voor ons, is God niet meegetrokken geweest door enige noodzaak of dwang. Enkel zijn eigen en natuurlijke goedheid heeft hem gebracht tot een zo grote en onbegrijpelijke genegenheid voor ons. Het is uit pure vrijgevigheid dat Hij zich volledig aan ons heeft gegeven. Zijn nochtans zeer onwaardige schepsels. Ik zie goed mijn God, in het licht van uw hevige liefde, dat ge maar een doel hebt, die mij het meest duidelijk meer dan ooit openbaart, de zuivere liefde die gij voor mij hebt. Het is niet dat ge mij nodig hebt, maar ge wilt dat al levende in mij, en ik in u, dat ik uzelf word in eenheid van liefde. En dat mijn arm aardse hart, enkel nog maar één is met uw goddelijk hart.

Het enige dat God niet kan doen, Hij die hemel en aarde geschapen heeft, dat is om ons te verplichten om zijn liefde te aanvaarden.

Marguerite Marie, van Parai-le-monial, je weet, de cultus van het Heilig Hart, in een zeer mooie basiliek. Jezus vraagt aan Marguerite Marie (en door haar aan ieder van ons): "Geef mij je hart". De rest... heeft hij reeds. Hij heeft hemel en aarde geschapen, Hij heeft het niet nodig dat we hem (hierbij) helpen.

Als Jezus zegt aan zijn discipelen, gij zijt onnutte knechten, dan zegt hij niet: jullie zijn dienaars die voor niets goed zijn, Hij zegt eenvoudigweg dat het niet voor het nut is, laat staan voor de efficientie, dat Hij ze dicht bij Hem wilde hebben.

Muziek nr3: Ik zie goed mijn God, in het licht van uw hevige liefde, dat ge maar een doel hebt, die mij het meest duidelijk meer dan ooit openbaart, de zuivere liefde die gij voor mij hebt. Het is niet dat ge mij nodig hebt, maar ge wilt dat al levende in mij, en ik in u, dat ik uzelf word in eenheid van liefde. En dat mijn arm aardse hart, enkel nog maar één is met uw goddelijk hart.

Tekst nr4:

We nemen de tweede tekst, waar we de praktijk van het gebed zullen behandeld zien. Deze van de vitale uitwisseling, de beweging namelijk van uitademen of beter gezegd van het inademen zal zijn. God ademt uit, en de mens ademt in.

Jean Nicolas Grou is een auteur die we tegenwoordig niet meer zeer goed kennen in België, maar die fundamenteel is geweest voor de christelijke heropleving van de spiritualiteit in de XIXe eeuw in Frankrijk, na de Franse Revolutie. Zijn invloed is ook bij ons voelbaar geweest. In vele bibliotheken van kloosters en abdijen van bij ons waren zijn boeken te vinden. Laten we die tekst nu lezen:

"Ik sta voor de deur en ik klop. Als iemand mijn stem hoort, en de deur voor mij open doet, dan zal Ik bij hem binnenkomen, en maaltijd met hem houden, en hij met mij." (Ap. 3,20) Terwijl we hier beneden zijn, is het enige verlangen van God om binnen te komen in ons hart en er te regeren, niet voor zijn eigen geluk te bewerk(stellig)en: wat zou Hij wel nodig hebben van ons om gelukkig te zijn? maar om ons geluk te bewerken, niet enkel voor de eeuwigheid, maar reeds vanaf dit leven; want het is zeker, én door de rede, én door het geloof, én door de ervaring, dat er geen enkel geluk bestaat voor de mens buiten God.

We horen dus: "Het enige verlangen van God is om binnen te komen in ons hart en er te regeren", en dat stelt ons de vraag in onze actie, in onze aankondiging van het Evangelie, in ons pastoraal leven, waarvoor we het eigenlijk doen? Is het duidelijk in alles wat we doen, dat we ons regelen op dit unieke verlangen van God? Waarover praten we in onze kerken en pastorale activiteiten? Wat beweren we te verkondigen?

Luisteren we nog naar een kort stukje tekst van Jean Nicolas Grou:

Wat doet God om ons dat geluk te bewerken? Hij houdt zich zonder ophouden aan de deur van ons hart; Hij klopt er aan door het licht dat Hij ons geeft, door de goede ingevingen, door het berouw, ten einde ons te brengen tot het zoeken van het goed, en tot het vluchten van het kwaad.

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Maar Opgelet! als je Grou leest, gebruikt hij een bepaalde woordenschat die vaak meer met moraal te maken heeft dan wel met het geestelijke. Maar het is uitsluitend zijn woordenschat die hij gebruikt. Hij wil echter helemaal niet moraliseren. Over het zoeken hier van het goed en het vluchten van het kwaad, zou Sint-Jan-van-het-Kruis bijvoorbeeld eenvoudig zeggen, "zoekt Jezus, en ontvlucht wat u verwijdert van Jezus". Nu volgt in de tekst die we zullen lezen het meest beslissende om de praktijk van het gebed te begrijpen: "Als we aandachtig zouden zijn geweest, ..."

... Als we aandachtig zouden zijn geweest, als we ons regelmatig zouden hebben ingekeerd in ons hart, dan zouden we gemerkt hebben dat hij er op elk moment aanklopt, en dat, als we Hem niet horen, dat we ons buiten de mogelijkheid (of staat) stellen om Hem te horen. Hij klopt er onophoudelijk (zonder te versagen) aan gedurende lange jaren, of beter gezegd, gedurende heel ons leven. Zijn geduld om op ons te wachten is onvoorstelbaar; Hij ondergaat lijdzaam onze minachting, onze weerstand, onze koppigheid met een goedheid, een volharding die elke uitdrukkingsmogelijkheid overtreft (te boven gaat).

Het belangrijkste hier is: "Als we ons regelmatig zouden hebben ingekeerd in ons hart." We hebben reeds in een van de vorige edities gezegd dat het hart eerst en vooral de plaats is van de wil, en niet het gevoel. Het doet er niet toe om zich te overtuigen en in onszelf de indruk op te wekken dat God ons graag ziet, het komt erop aan naar de plaats te gaan langs waar Hij onze ziel binnenkomt.

Als we gesproken hebben aan het begin van de tekst van Grou, wanneer de Apocalyps gesproken heeft van de deur op dewelke God aanklopt, dan is het niet dat God langs de buitenkant aankomt. Vaak denkt men dat Hij langs buiten komt. Neen, het is een deur langs de binnenkant.

De geestelijke meesters spreken over het binnenkomen van Jezus in het senakel, na de verrijzenis terwijl alle buitendeuren gesloten waren. Alle geestelijke meesters zeggen dat de inkeer het onthalen van God, niet de concentratie is, maar het onthaal, de aandacht aan Iemand die binnenkomt van boven onszelf. "Waar zal ik u vinden Heer, tenzij in mij, boven mezelf," zegt Sint-Augustinus.

Muziek nr5: Terwijl we hier beneden zijn, is het enige verlangen van God om binnen te komen in ons hart en er te regeren, niet voor zijn eigen geluk te bewerk(stellig)en: wat zou Hij wel nodig hebben van ons om gelukkig te zijn? maar om ons geluk te bewerken, niet enkel voor de eeuwigheid, maar reeds vanaf dit leven; want het is zeker, én door de rede, én door het geloof, én door de ervaring, dat er geen enkel geluk bestaat voor de mens buiten God.

Tekst nr6:

Ruusbroec zegt dat ook zeer goed. God werkt altijd "van binnen". God en de bovennatuur gaat altijd van de binnenkant naar de buitenkant, terwijl de mens en het antwoord van de mens (voor dewelke hij enkel de middelen van de natuur ter zijner beschikking heeft), gaat ons werken altijd van de buitenkant naar de binnenkant. En we vinden hier terug wat we in een vorige editie gezegd hebben als de fundering van het Christelijk leven: het is een ontmoeting die de ene aan de andere openbaart, Christus en ik. Het is daar de grond van het Christelijk leven.

Dat définieert de weg van onze inkeer in de praktijk van het inwendig gebed. Het gebed aanleren zal het aanleren van de inkeer zijn, en niet de concentratie. Maar de aandacht aan degene die langs de binnenkant binnenkomt.

Dus, Grou zegt ons dat "als we Hém niet horen, die aanklopt aan onze deur, dan is het dat we ons buiten de mogelijkheid (of staat) stellen om Hem te horen". Er is geen gebed mogelijk zonder deze bekering die maakt dat ik zeg: "Ik hou me niet bezig met datgene wat niet Jezus is, om Jezus te horen." Als dat er niet is, dan zal het enkel een mentale oefening zijn, en dan kunnen we beter op internet al de recepten opzoeken van de transendentale meditatie enz. Als we dat doen, dan vervangen we God door het idee van God, maar voor ons is het geen idee dat we onthalen in onze inkeer, het is God zelf, het is dé Persoon, het is een ontmoeting met Iemand!

Deze houding is niet intellectueel, ze is zoals deze van een mama die aandacht geeft aan haar kind in de wieg. Je ziet, het is een vitale houding. Het belet niet dat de mama zich bezig houdt met de rest. Door aandacht te geven aan haar kind is ze is niet bezig met het oplossen van moeilijke problemen. Het gebed is niet een intellectuele realiteit. Het is een existentiele realiteit. Het gebeurt eenvoudigweg wanneer ons leven geheel is zoals elke liefdeservaring, gepolariseerd door de persoon die we liefhebben. Ze is zoals een magneet aangetrokken, ingetrokken. Zoals een magneet ijzer aantrekt.

Muziek nr6:

Tekst nr7:

Wanneer men me vraagt: Wat is de contemplatie, dan zeg ik: het is een mama die met haar kind begaan is. Het is niet een abstact iets.

Het gebed is dus in feite niets anders dan de radicalisatie van wat we tijdens ons doopsel hebben beleden: "Ik laat alles vallen wat niet Jezus is, om me met Hem bezig te houden."

Als we het gebed aanzien als een deel (een aspect) van ons leven, dan zullen we nooit tot gebed komen.

In het Evangelie zien we dat Jezus uniek is. Niemand in de geschiedenis van de mensheid heeft ooit durven zeggen wat Jezus heeft gezegd in het Evangelie. "Laat alles vallen en volg mij!" Dat is het wat Christen zijn betekent!

Dus verstaan we ook dat het gebed niet mogelijk is als God het ons niet geeft. Want vanuit onszelf, zou ik zeggen, kunnen we niet zover gaan. Het is niet mogelijk, want onze natuur wil bezitten, ze wil gebruiken, ze wil winnen. Het is dus noodzakelijk dat God dit alles in ons wil leven, want anders is het gewoonweg onmogelijk.

En dat verklaart de tekst die we nu zullen lezen. Een tekst die van een groot Benedictijnse hervormster komt van de XVIIe eeuw in Frankrijk, Marguerite d’Arbouze (1580-1626). Die zullen jullie wellicht evenmin kennen... Zelfs in Frankrijk is ze niet zeer gekend, maar ze is toch een groot Benedictijnse hervormster van de XVIIe eeuw in Parijs.

We beginnen deze tekst te lezen:

Het inwendig gebed is een gave van God die zijn goddelijke Geest geeft aan wie het Hem behaagt, wanneer het Hem behaagt, en op de manier waarop het Hem behaagt. En het is wat de Schrift ons zegt: "De Geest waait waar Hij wil." ... Het gebed is dus een werking van de Geest van God in onze zielen, en daarom is het dat we ons méér moeten overgeven aan Hem, dan handelen door onze eigen middelen en werken. Trouwens, zoals alle Vaders zeggen, het gebed is een opheffen van de ziel boven haarzelf en boven alle geschapen dingen om zich te verenigen met God. Daarvoor moet Hijzelf ons in Hemzelf opheffen door Hemzelf.

Muziek nr7: de Schrift ons zegt: "De Geest waait waar Hij wil." ... Het gebed is dus een werking van de Geest van God in onze zielen, en daarom is het dat we ons méér moeten overgeven aan Hem, dan handelen door onze eigen middelen en werken. Trouwens, zoals alle Vaders zeggen, het gebed is een opheffen van de ziel boven haarzelf en boven alle geschapen dingen om zich te verenigen met God. Daarvoor moet Hijzelf ons in Hemzelf opheffen door Hemzelf.

Tekst nr8:

Je ziet dus tot hier dat men niet spreekt, en wellicht zijn jullie daardoor ontgocheld, van een techniek om te bidden. Niemand kan uit zichzelf bidden. De zusters en paters kunnen niet beter bidden dan jullie, dan mij, dan de Paus, dan wie dan ook... want het is een gave van God.

"Een gave die God geeft aan wie het Hem behaagt, wanneer het Hem behaagt, en op de manier waarop het Hem behaagt". We vinden dat bij alle, bij absoluut alle Christelijke meesters. We vinden dat bij Sint-Ireneüs in de IIe eeuw, we vinden het in de 20e eeuw bij Guardini en bij veel anderen.

In de pas gelezen tekst, citeert Marguerite d’Arbouze ons Sint-Paulus: "Een werking van de Geest van God in onze zielen." Sint-Paulus zegt dit: Wij kunnen niet bidden, wij weten niet hoe we moeten bidden. De Geest zelf komt in ons, en het is Hij die in ons bidt." Wij kunnen niet bidden. En dat niet omdat we te dom zijn, maar omdat God alleen kan bidden.

Wat eveneens wil zeggen dat het niet nodig is om intelligenter te zijn dan de anderen om te kunnen bidden. Ik ben getroffen bij het zien dat in sommige abdijen en kloosters bij voorbeeld, men zegt, deze daar is te dom om te kunnen bidden. Dat wil dan eigenlijk zeggen dat de anderen evenmin kunnen bidden.

En het is daarvoor dat we ons moeten toevertrouwen (in overgave) aan God. Het woord "overgave" is heel benagrijk in de geestelijke traditie.

We zullen niet zeer ver gaan in het behandelen van dat woord "overgave" (de overgave namelijk aan de goddelijke voorzienigheid). Het begrip overgave toont ons, niet het gebrek aan verantwoordelijkheid: "God zal doen wat Hij wil", maar het toont de verantwoordelijkheid die we hebben om ons geheel aan God te geven.

Zijn verantwoordelijkheid op zich nemen zal dan ook veronderstellen om dat te leren. Het zal een gehele pedagogie veronderstellen, en het is precies deze missie die de Kerk ons geeft. Deze verantwoordelijkheid is niet te verwaarlozen, opdat onze overgave menselijk zou zijn, vrij en verantwoord. Het wil dus helemaal niet zeggen dat we passief en lui God maar alles laten doet wat Hij wil, en dat het me onverschillig laat: het is me al gelijk.

Er is nog een ander probleem in dit paragraaf: "het gebed, zeggen de Vaders, is een opheffing boven zichzelf." Niettegenstaande het probleem minder erg is in het Nederlands dan in de oospronkelijke tekst in het Frans, maar als we zeggen dat het gebed een opheffing is, dan verstaan we allen gewoonlijk dat we de trap moeten nemen, en zeker geen lift. En dus maken we van het gebed een menselijke productie, een menselijke inspanning, daar waar we ons moeten laten opheffen door God, zoals door een lift.

Muziek nr8:

Tekst nr9:

Men maakt vaak De fout dat men het vocabularium van de moraal met deze van de religie verwart. Het gevolg is dat velen zich ontmoedigen: ik raak niet tot aan de hemel, ik kan er me niet toe opheffen. Alsof men ons vroeg van ons tot de hemel te verheffen.

Het is een totaal vergeten Christelijk mysterie, dat het niet de mens is die klimt (naar God), maar het is God die (tot de mens) komt. Dat noemt de incarnatie. God komt tot ons in Christus om ons tot de Vader te voeren.

En als de geestelijke meesters van opstijgen of opgaan spreken, dan spreken ze niet van klimmen, maar zoals de luchtballon, die zonder moeite als vanzelf opstijgt. Het zou een serieuze inspanning vragen om niet te stijgen, dan wel om te stijgen. En dus de overgave, is ons op verantwoorde weize te plaatsen onder de atmosferische druk die ons doet stijgen. En niet door de middelen te nemen om de hemel te beklimmen. Want hoe meer men stijgt, hoe meer men ziet en beseft dat men er niet toe komt uit eigen krachten.

Ruusbroec spreekt ook over dat opklimmen/uitstijgen boven onszelf. Dat is iets dat wijzelf niet kunnen bewerken, want God alleen kan ons boven onszelf uittrekken.

En de hele leerschool van het gebed bestaat erin om in niets deze werking van God te belemmeren. Wij kunnen niets bewerkstelligen of produceren in het Christelijk leven, wij hebben enkel de draden, koorden,... door te knippen die ons vast houden en belemmeren om op te klimmen, om vergoddelijkt te worden.

Als we de geboden van God bekijken, dan zien we dat de positieve geboden, dat wil zeggen, deze die ons zeggen wat we moeten doen, enkel bestaan uit: gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart..., en al de rest zijn negatieve geboden, wat we niet moeten doen, niet stelen, anders is dat een draad of koord die u belet om te stijgen, ge moet niet doden, ..., niet liegen, ..., maw, het is niet vermoeiend. Je moet niets produceren, het zijn dingen die niet te produceren zijn, enkel de positieve, die men zelf moet verlangen, zoals een positieve actie, het is God liefhebben, loven, prijzen, aanbidden, dienen, etc. Maar vervolgens zegt hij eenvoudigweg wat we niet moeten doen. Want wat moet gedaan worden, dat is God die het zal doen, zodra ge in zekere zin met/op Hem zult zijn verbonden/geënt.

Er is een uitdrukking die ik graag heb, van een specialist (die nu is overleden, maar die een groot specialist was van de kleine Theresia van het Kind Jezus), en hij geeft ons het geheim van de H. Theresia van het Kind Jezus, hij leert ons namelijk: dat het deel van de mens in de actie, de contemplatie is. Het is Mgr. Combes die dat zei een 50tal jaar geleden. "Het deel van de mens in de (bovennatuurlijke) actie, is de contemplatie.

Ziezo, deze editie van binnenskamers is weer tot zijn einde gekomen. De volgende, en wellicht laatste keer (met het einde van de uitzendingen van Radio Spes) zetten we nog een stapje verder op deze ontdekkingstocht in dat aspect van ons leven dat zeer belangrijk is, en toch zo makkelijk in de vergeetput geduwd wordt, nl.: "ons spiritueel leven."


Muziek nr9: U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer hebben gehandeld over ons spiritueel leven, met enkele sterke teksten uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur.