Binnenskamers

Zevenzestigste editie:
Het geestelijk leven van nabij bekeken. Deel II.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraars.

In de vorige editie van binnenskamers hebben we Johannes Evangelista even opzij gezet, en een poging ondernomen om de realiteit van ons geestelijk leven van naderbij te bekijken. Het is het onderwerp geweest dat in al de bijdragen van binnenskamers tot nu toe behandeld werd, en nog wel een tijdje in het centrum van onze belangstelling blijven.

We maken makkelijk de fout om deze dimentie van het leven te verwarren met onze psychologie. Als we spreken over de realiteit van ons geestelijk leven moeten we begrijpen dat het spirituele leven niet enkel het bewuste leven is, wat het studieobject is van de psychologen. Maar dat de spiritualiteit volledig transparant is, zoals de lucht die wij ademen. We kunnen haar dus nooit aantonen door onze onmiddelijke observatie, want ze is veel fundamenteler dan dat wat ons doet nadenken, willen en handelen.

Deze keer gaan we aan Romano Guardini, een groot spiritueel theoloog van nog niet zo lang geleden, vragen om ons uit te leggen wat er gebeurd is met Lucie Christine en Jeanne Schmitz-Rouli. Hij werd geboren in Verona, Noord-Italië, in 1885 en overleed te München in Duitsland in 1968. Met zijn ouders is hij vroeg naar Duitsland verhuisd, waar hij de rest van zijn leven heeft gewoond en gewerkt. In mei 1910 werd hij priester gewijd, en hij promoveerde als theoloog aan de universiteit van Freiburg. Nadien werd hij hoogleraar voor godsdienstfilosofie en katholieke wereldbeschouwing te Berlijn. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog onderbrak hij noodgedwongen zijn professoraat. Na de oorlog werd hij hoogleraar te Tübingen.

Romano Guardini was de grote denker waar Benedictus XVI zijn denken heeft op gebaseerd. Hij is een voorbeeld van een contemplatieve theoloog. Dat verklaart wellicht waarom hij tegenwoordig niet veel bestudeerd wordt op theologische faculteiten. Het is dus echte theologie die hij bedrijft, zoals die door Thomas van Aquino wordt gedefinieerd: "De wetenschap van de Heiligen". Sinds het conflict tussen Sint-Bernardus en Abelardus is deze contemplatieve theologie zeldzaam geworden, maar we hebben er hier wel een mooi voorbeeld van.

Een passage uit zijn "Initiatie tot het gebed", waar hij het mystieke gebed behandelt, gaan we nu samen lezen.

Het kan misschien gebeuren dat degene die bidt, iets vreemds gaat ervaren. Lange tijd heeft zijn intelligentie, gevoed door het gelovig overdenken, God gezocht. Plots is God-zelf daar. Dat wil niet zeggen dat hij daarom bijzonder ingekeerd was tot zichzelf, noch dat de idee van God een bijzondere indruk had gemaakt op hem, noch dat zijn hart een grote liefde voor God zou hebben ondervonden, noch iets van die aard. Hij voelt dat wat hem daar overkomt iets totaal nieuw is, iets totaal anders. Tot dan toe was er een muur: deze muur is nu omvergeworpen. Als algemene regel, zelfs in de meest levendige zekerheid en in sterkste emotie, hebben we God voor ons op dezelfde manier als al de rest, met inbegrip van onszelf, dat is in de vorm van een het zich voorstellen, of als een idee. Dit idee van God grijpt ons aan, en stuwt ons, (het vuurt ons aan) om lief te hebben, en dit alles leidt ons tot een welbepaalde actie. In de ervaring waarover we hier spreken, bestaat niet langer de barrière gedacht te zijn (in de gedachte van iemand, of bedacht te zijn (als een object)): een onmiddellijk innerlijk (begrijpen, kennen, of) aangegerepen worden komt hierbij tot stand.

Dit paragraaf getuigt dus van een heel preciese observatie die toont dat Romano Guardini zelf de ervaring kent. We vinden de twee bewustzijnsniveaus terug die we hadden opgemerkt bij Lucie Christine.

Muziek nr1: Zoals we met Sint-Bernardus zien; het enige criterium dat ons doet beseffen dat het ontegensprekelijk wel degelijk God is en geen illusie, ... en dat er vervolgens constateerbare effecten bewerkstelligd worden, er is iets dat verandert (of meerdere dingen die veranderen door die ervaring), en die we in de realiteit van ons leven effectief kunnen waarnemen.

Tekst nr2:

Zoals Lucie Christine aan God dacht, alsof Hij afwezig was of ver weg van haar, maar dat Hij in réaliteit aanwezig, maar zeer diep(weg, niet op het eerste plan), komt Hij plots van de achtergrond naar de voorgrond. Tegelijkertijd zoekt Guardini God, en plotseling is God daar. Het is niet zo dat God ondertussen binnen gekomen zou zijn, het is dat Hij op het voorplan van het bewustzijn is gekomen. Maar Hij is eigenlijk altijd al daar geweest!

We zien dat als je bijvoorbeeld aan een archeoloog vraagt, of de beenderen die bij een opgraving gevonden werden van een aap of van een mens afkomstig zijn, zal hij om zijn antwoord te geven de beenderen niet in een laboratorium laten onderzoeken. Hij zal nakijken of dat wezen in de tegenwoordigheid van God leefde. En hoe zou hij dat dan wel kunnen weten? Als het graf georienteerd is bijvoorbeeld naar de opgaande zon, of als hij ziet dat er offerandes of gaven bij de uitvaart werden meegegeven. Dan besluit hij dat de beenderen van het wezen dat daar is, tot het absolute geordend waren of niet. Geordend tot het absoluut mooie, het absoluut goede; of anders gezegd, dat het een taal(vaardig) wezen is. De taal is het feit namelijk van het onzegbare te proberen te verwoorden. Hij staat namelijk tegenover een cultuur.

En als je kijkt op het ogenblik van de schepping van de mens, wat zijn zending is in het boek Genesis, dan zien we dat God één enkele opdracht (of missie) geeft aan Adam: cultuur, cultiveer, geef een naam. God liet alles wat Hij geschapen had voor Adam komen om te zien welke naam Adam eraan zou geven.

Het Evangelie is de echte cultuur. De capaciteit om te benoemen wat "is" (of wat écht is), en niet wat er schijnt te zijn.

Ik had het gevoel van de realiteit, zei ons Lucie Christine.

Goed, we gaan verder met de commentaar op dit eerste paragraafje. Romano Guardini in de tweede zin, zegt ons niet helemaal hetzelfde als Lucie Christine. Lucie Christine spreekt ons van een zalving, een vrede, een vreugde, terwijl dat hier bij Guardini er geen sprake is van gevoelens. De idee van God heeft hem geen bijzondere indruk gemaakt, zijn hart ervaart niet per se een grote liefde. Wat eveneens toont dat de kern van de ervaring van Lucie Christine verder gaat dan deze vreugde, dan deze vrede, gezien het gemeenschappelijke tussen Lucie Christine en wat Romano Guardini zegt, deze nieuwigheid is, de afwezigheid van enig(e) (be)middel(ing). Het is God zelf die daar is. Je vindt dat bij allen. De meesten trekken meer op Lucie Christine dan op Romano Guardini, maar we zullen later zien dat Sint-Bernardus zegt: bij mij, wekt dat geen enkel gevoel op. Wat er gemeenschappelijk is aan Lucie Christine, aan Romano Guardini en aan Sint Bernardus, dat is dat de muur omver geworpen is.

We hebben niet langer God voor ons (als ons doel), maar daar waar we zijn (naast of achter ons). Veel mensen zullen u zeggen: God, we zien hem niet. Maar ik maak er u op attent dat je jezelf niet beter ziet. Het probleem is niet dat God te ver weg is, of elders, Hij is daar waar jij bent. En op een zeker moment openbaart Hij zich aan u, in u.

Sint-Augustinus zal zeggen: waar heb ik u gevonden Heer, tenzij dan in mij, boven mij. (Meer mijzelf dan ikzelf commentarieert Henri Brémond deze tekst van Sint-Augustinus.)

Wat verdwijnt is de voorstelling, (het zich voorstellen van iemand of iets). Zij het de zintuiglijke gevoelige voorstelling, "een (af)beeld(ing)", of een abstracte voorstelling, "een idee".

Terzijde gezegd, telkens wanneer Ruusbroec spreekt van "beelden" in het geestelijk leven, dan spreekt hij over die voorstellingen, beelden en ideeën. Maar hij gebruikt daar slechts één enkel woord voor, en hij beduidt daar alles mee wat bemiddelt, en dus een afstand schept.

En de liefde is nog slechts één zijn, zonder middel, zonder afstand.

Muziek nr2:

Tekst nr3:

Guardini preciseert nogmaals: in het algemeen staan de voorstellingen, de "beelden", ons toe om te beslissen dingen te doen voor God. En in het geestelijk leven, als we spreken over het gebed (uit de ervaring waarover we spreken), dan komt dat overeen met het maken van goede voornemens, die voortgaan op meditaties, maar het zijn wij die staan voor God.

Hier in de ervaring waarover wij spreken, is het feit of de noodzaak om te spreken verdwenen, door dit onmiddellijk innerlijk gegrepen zijn.

Dit wil zeggen dat de contemplatief niet hoeft na te denken om de wil van God te ontdekken. Hij ziet haar onmiddellijk.

Hij moet geen gewetensonderzoek doen, hij ziet onmiddellijk of hij trouw is aan God. Hij heeft geen idee over God of reflecteert niet in hemzelf over God. Wat hij ziet, is wat God hem laat zien, hij ziet m.a.w. met de ogen van God. Velen denken dat contemplatie het zien van God is, maar neen, het is zien wat God ziet.

Deze tafel, deze muur, dit huis, deze auto, ... Het object van de contemplatie is niet noodgedwongen religieus. God schept niet enkel voorwerpen van dévotie. De contemplatief houdt zich de hele dag bezig met datgene wat God hem vraagt te doen.

De tweede paragraaf dat we nu lezen, handelt over de moeilijkheid die we ervaren om te spreken over deze bovennatuurlijke ervaring, namelijk om het onder woorden te brengen.

Het kan gebeuren dat degene die deze ervaringen opdoet er in eerste instantie door wordt verontrust. Hij ervaart een emotie die een totaal nieuw karakter heeft, en hij bevindt zich in een staat die hij voordien nog nooit heeft meegemaakt. Maar het meest innerlijk deel van hem heeft een voorgevoel van deze waarheid (werkelijkheid): "Het is God", of ten minste: "Het staat in relatie (of in een verband) met God". Deze intuitie jaagt hem misschien schrik aan. Hij weet niet of hij aldus mag spreken, en hij is onzeker welke houding hij hieromtrent moet aannemen. Maar dat voorgevoel wordt stilaan een zekerheid, en zelfs een bijzonder overtuigde zekerheid. Op het ogenblik zelf dat de ervaring zich voordoet is de twijfel totaal onmogelijk. De twijfels komen pas achteraf. [...]

Muziek nr3: Het kan misschien gebeuren dat degene die bidt, iets vreemds gaat ervaren. Lange tijd heeft zijn intelligentie, gevoed door het gelovig overdenken, God gezocht. Plots is God-zelf daar. Dat wil niet zeggen dat hij daarom bijzonder ingekeerd was tot zichzelf, noch dat de idee van God een bijzondere indruk had gemaakt op hem, noch dat zijn hart een grote liefde voor God zou hebben ondervonden, noch iets van die aard. Hij voelt dat wat hem daar overkomt iets totaal nieuw is, iets totaal anders. Tot dan toe was er een muur: deze muur is nu omvergeworpen.

Tekst nr4:

Enkele woorden hierover: "het meest innerlijk deel van hem heeft een voorgevoel van deze waarheid (werkelijkheid)". Guardini schets hier een antropologie die het mogelijk zal maken om rekenschap te geven van deze ervaring. En die antropologie herneemt deze van Sint-Paulus, herneemt deze van Sint-Augustinus, deze van Sint-Jan-van-het-Kruis. Want, niet omdat hij die antropoligie bij hen heeft vandaan gehaald, maar omdat deze ervaring van God altijd een ontmoeting tussen God en mens is. En een ontmoeting gebeurt altijd op dezelfde manier. En het is in die ontmoeting dat we bewust worden van onszelf. Sint-Augustinus zegt ons ook: dat het is in dezefde act dat ik u ken, en dat u me kent.

En als Romano Guardini hier praat over het meest innerlijke van zichzelf als ge iemand ontmoet, uw echtgenoot(te), uw beste vriend, dan zie je hem afkomen, verre, ver van u. En op hetzelfde moment is het uw persoon die deze persoon ontmoet. Hij komt langs de binnenkant, en het is onmiddelijk; het is het zich voorstellen van iemand dat van de buitenkant komt. En het is daarom dat het innerlijke het uiterlijke nakijkt (verifieert), en niet het omgekeerde. Het is dus het geloof dat de rede bevestigt (of autentifieert).

Nog iets heel interessant leert ons Guardini: "De twijfels komen pas achteraf." Dat wil zeggen, buiten deze ontmoeting.

Als ge de "Geestelijke Brulocht" neemt van Ruusbroec, dan heb je een volledige analise van een ontmoeting. Het is daar dat je het antwoord zal vinden. "Ziet de Bruidegom komt, gaat uit om Hem te ontmoeten." Je vindt in de "Geestelijke Brulocht" het gehele commentaar van deze passage uit het Evangelie. En dat legt uit waarom dat zelfs als ik geen Chinees ken, en u geen Nederlands kent, we toch elkaar kunnen begrijpen. Want we zijn één (of verenigd) veel meer en veel eerder dan dat we van elkaar gescheiden zijn.

Als een klein kind niet één (of verenigd) is met zijn moeder, zal het nooit kunnen spreken tot zijn moeder.

Je ziet dat spreken over het geestelijk leven, spreken is van het hart van het hart van de mens. En dat we geen grotere dienst kunnen bewijzen aan de mensheid dan Ruusbroec de Wonderbare en andere geestelijk meesters te lezen. Het is de reden van het bestaan van de Kerk, en in het hart van de Kerk het lezen van de traditie. Dat wil zeggen, het ontvangen van het Woord van God in het vlees.

Zeg het niet aan de beleidsvoerders, want ze zullen zeggen dat ze daar geen tijd voor hebben. Want ze moeten een voorganger vinden om de mis voor te gaan volgende zondag op liefst zoveel mogelijk plaatsen.

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Luisteren we naar het derde paragraaf van Romano Guardini:

Wat eveneens verontrustend is, dat is dat de woorden hem ontbreken om zich uit te drukken. Zijn hart weet goed waarover het gaat, maar hij weet heel goed dat wat zo zeer klaar en helder is in zijn geest en in zijn hart, hij het niet kan verwoorden. En niet alleen maar omdat het te groot is of te diep, maar eenvoudig omdat er geen uitdrukkingen voor bestaan. Hij zou enkel spreken over dingen zoals: "het is heilig, het is nabij, het is veel belangrijker dan al de rest. Het loont echt de moeite en enkel dat volstaat. Het is stil, delicaat, eenvoudig, bijna niets, en nochtans is het alles. Het is "Hij" uiteindelijk. [...]

Het is dus moeilijk of onmogelijk om het uit te drukken, niet omdat het te intens is, maar omdat het van een andere orde is.

Sint-Jan-van-het-Kruis zou u zeggen: "Beweren om het te vertellen, is zoals beweren te kunnen praten met een blinde van geboorte over de kleuren."

En meteen toont Romano Guardini ons de grenzen aan van elke rationnele theologie. Hij verzet er zich niet tegen, maar hij toont ons de grens ervan.

En met inbegrip van de mooiste rationnele theologie, deze van Sint-Thomas van Aquino. Niettegenstaande citeert Guardini hier bijna letterlijk Sint-Thomas van Aquino met de woorden: "Het is stil, delicaat, eenvoudig, bijna niets, ... want het is Hij, het is een persoon.

En een persoon kan in geen enkele rationnele cathegorie binnenkomen. En als we zouden vragen aan Sint-Thomas van Aquino wat een persoon is, "Persona est quasi accidens", een persoon is zelf geen accident (gebeurtenis), hij heeft zelfs geen ontologische consistentie in zich, het antwoordt zelfs nooit op de vraag "wat is het".

Als je zot verliefd bent op je verloofde bijvoorbeeld. Als men u vraagt wat ze is, en waarom je verliefd bent op haar, dan zal je antwoorden: "ze heeft een fantastisch voorkomen, ze heeft een grandioos fortuin, ze heeft een buitengewone intelligentie,... en toch heb je nog altijd niets gezegd van je verloofde.

De eenheid bestaat maar bij twee (of meerdere) personen, het is nooit de som van twee dingen. We zien dat in de meest elementaire ervaring van elke mens. Als ik zeg: Peter en ik, wij gaan naar het restaurant." De "wij" van wij gaan, is samen, ik in hem en hij in mij. Een enkel subject in twee personen. En het is daardoor dat we één enkele actie kunnen stellen. Eén enkele portemonee om het restaurant te betalen, en toch in het onderscheid van de personen.

Ziehier het mysterie van de eenheid, resultaat van de vereniging van de ontmoeting. Ziedaar het geestelijk leven.

Muziek nr5: Wat eveneens verontrustend is, dat is dat de woorden hem ontbreken om zich uit te drukken. Zijn hart weet goed waarover het gaat, maar hij weet heel goed dat wat zo zeer klaar en helder is in zijn geest en in zijn hart, hij het niet kan verwoorden. En niet alleen maar omdat het te groot is of te diep, maar eenvoudig omdat er geen uitdrukkingen voor bestaan. Hij zou enkel spreken over dingen zoals: "het is heilig, het is nabij, het is veel belangrijker dan al de rest. Het loont echt de moeite en enkel dat volstaat. Het is stil, delicaat, eenvoudig, bijna niets, en nochtans is het alles. Het is "Hij" uiteindelijk.

Tekst nr6:

We lezen de laatste paragraaf van Romano Guardini:

Wat hij ook nog weet, is dat het heilige perfect vrij is en meester van zichzelf. Geen enkele geschapen kracht vermag niets op hem. Men kan dit contact met geen kracht bekomen noch bewerkstellingen. We kunnen ons inkeren, in onszelf verdiepen. We kunnen ons innerlijk zicht verhelderen. We kunnen onze ziel meer en meer zuiveren, maar nooit kan dit alles volstaan opdat dit heilige zich openbaart. Zijn komst is zuiver genade, en men kan niets anders doen dan zich erop voorbereiden, ernaar vragen en erop wachten.

Ziezo, er zijn verschillende dingen die we daarover kunnen zeggen, eerst en vooral over de laatste zin. Opgelet, want het is de vraag die we daarnet hebben behandeld. Wat wil het zeggen zich ertoe voorbereiden, vragen en (op)wachten...? In realiteit is deze voorbereiding reeds een antwoord. Ik bereid me voor tot hetgene dat ik in feite reeds ken. Sint-Augustinus die een (kerk)leraar is van het verlangen, zegt dat we slechts verlangen naar datgene waar we reeds de zekerheid van hebben, maar dat we nog niet echt bezitten. Ziedaar, en het hele Christelijk leven is slechts een lang verlangen.

Dus, de komst van degene die we verlangen, maar die al in ons is, (zie de twee niveaus (voorplan en achterplan) waar we daarstraks van spraken,) is perfect vrij(willig). Noch Lucie Christine, noch Guardini, noch de buurman had verwacht wat hen is overkomen. Het is de gratuïteit in zijn meest radicale vorm: de genade! En de dag waarop ik zou zeggen, ik bemin omdat er een rede bestaat om te beminnen, dan bemin ik eigenlijk helemaal niet meer. Als ik mijn verloofde liefheb omdat ze rijk is, dan is het het geld dat ik bemin, en dat is dan niet mijn verloofde.

Sint-Bernardus zegt: "Amo quia amo"; ik bemin omdat ik bemin. De liefde volstaat aan zichzelf, ze is haar eigen beloning. En als God liefde is, dan is dat niet omdat hij het expres heeft gedaan.

Laten we in Vlaanderen blijven, in de visioenen van Hadewijch van Antwerpen. Ze onderhandelt met Jezus Christus, om een ziel uit het vagevuur te halen, en naar gelang ze zegt aan de Heer: "U bevrijdt die persoon, en die persoon", komt er het moment dat ze een ziel aanduidt, en die persoon is in de hel. En Jezus zegt, ah neen, dat kan ik niet doen, het is onmogelijk. En waarom dan niet? vraagt Hadewijch. En Jezus zegt: omwille van de gerechtigheid van mijn Vader. Mijn Vader kan daarmee niet akoord gaan. En Hadewijch weer: ik vraag het je niet voor de gerechtigheid, maar voor de liefde. En Jezus antwoordt: "Je hebt overwonnen, want God is liefde en Hij kan niet weerstaan aan de liefde, anders zou hij God niet zijn. God is slachtoffer van de liefde. Voor dat hij Vader, Zoon en Heilige Geest is, is hij liefde, en als volgt leeft hij vaderlijk, zoonlijk of (kinderlijk) en geestelijk. En met andere woorden, God in drie personen, eenheid in drievuldigheid of drieëenheid.

Muziek nr6:

Tekst nr7:

En wat waar is voor die persoon, is waar voor ieder van ons. Als God de Vader heeft moeten kiezen tussen zijn enige Zoon en ik en jij en jij en jij, heeft hij gezegd, tot daar voor mijn Zoon, ik verkies u boven mijn Zoon. Zoals we kunnen zien op alle kruisen, zegt Hij: ik verkies u boven mijn Zoon. En dat is het hele mysterie van Jezus, en het is de basis van het hele Christelijke bewustzijn. Ik ben in een zekere zin belangrijker en kostbaarder in de ogen van de Vader dan zijn eigen Zoon.

De teksten die we hier hebben genomen zijn bijzonder helder. De mystiekers helpen ons, door ons onder sterke vergroting als onder een microscoop, te laten zien wat voor ieder mens in realiteit "is". Ik beperk het dus duidelijk niet enkel voor elke Christen, ik zeg wat voor elke mens die in deze wereld komt de grond zelf is van wat hem doet leven.

En nu zullen we een tekst van Sint-Bernardus lezen die ons zal laten zien, hoe op een dagelijkse manier de Heilige Geest ons toelaat om een geestelijk leven te leiden. Maar wat we nu zullen lezen, zal niemand als mystiek bestempelen, en nochtans zal je merken dat het van dezelfde natuur is als wat Lucie Christine is overkomen, en datgene waarover Romano Guardini ons heeft gesproken.

We lezen nu de tekst van Sint-Bernardus:

Ik beken dat het woord zich ook aan mij heeft laten kennen, en wel verschillende keren. Regelmatig is Hij binnengekomen in mij, en nochtans heb ik nooit gevoeld dat Hij binnenkwam. Ik heb gevoeld dat Hij daar was, ik herinner het mij. Ik heb zelfs af en toe een voorgevoel kunnen hebben van zijn komst, maar ik heb deze komst nooit gevoeld; niet meer dan zijn vertrek. Vanwaar kwam Hij, of waar ging Hij naartoe terwijl Hij mijn ziel verliet? Langs waar is hij gekomen om binnen te komen of weg te gaan? Ik beken dat ik het nog altijd niet weet. En zoals er geschreven staat (Joh. 3,8) de Heilige Geest, je weet niet vanwaar Hij komt, noch waar Hij naartoe gaat.

Goed, nooit heb ik zijn binnenkomen gevoeld.

Een beetje verder zegt hij dat hij gevoeld heeft dat Hij daar was, maar nooit heeft hij zijn binnenkomen gevoeld. Je ziet weer de twee niveaus verschijnenen. God voelt men niet, maar, iets in je dat je voelt, bevestigt dat Hij daar is. Anders gezegd, God, niemand heeft hem ooit gezien, maar alles wat men ziet getuigt van God.

Muziek nr7: Ik beken dat het woord zich ook aan mij heeft laten kennen, en wel verschillende keren. Regelmatig is Hij binnengekomen in mij, en nochtans heb ik nooit gevoeld dat Hij binnenkwam. Ik heb gevoeld dat Hij daar was, ik herinner het mij. Ik heb zelfs af en toe een voorgevoel kunnen hebben van zijn komst, maar ik heb deze komst nooit gevoeld; niet meer dan zijn vertrek. Vanwaar kwam Hij, of waar ging Hij naartoe terwijl Hij mijn ziel verliet? Langs waar is hij gekomen om binnen te komen of weg te gaan? Ik beken dat ik het nog altijd niet weet. En zoals er geschreven staat: de Heilige Geest, je weet niet vanwaar Hij komt, noch waar Hij naartoe gaat.

Tekst nr8:

Alles getuigt van Gods aanwezigheid. Het is heel belangrijk omdat we de authenticiteit van Gods aanwezigheid zullen kunnen verifiëren, door het feit dat het Evangelie (de taal namelijk die God spreekt) zich zal drukken (of inprenten) in uw hart.

Als Sint Thomas van Aquino ons spreekt over de "Doctrina Sacra", wat voor hem object is van het onderricht (doctus, doctrina), wat voor hem eveneens hetzelfde is als de predeking, en wat ook het object is van zijn "Summa Theologica" (het is de "Doctrina Sacra"). Van die wetenschap zegt hij dat het is: "quaedam impressio divinae scientiae": dat wil zeggen, een zekere inprenting van de wetenschap van God. Anders gezegd, het is niet een wetenschap over God, het is de kennis van God die de onze wordt. Anders gezegd, onze ogen maken plaats voor de ogen van God. Nog anders gezegd: wij zijn een transformatie in God aan het beleven in de contemplatie. Contempleren is niet God contempleren zoals ik jullie daarnet reeds zei, want God is onzichtbaar, maar, het is contempleren datgene wat God aanschouwt of beschouwt.

Goed. Sint Bernardus gaat een onderscheid maken tussen voelen en voor-voelen. We kunnen hier beneden een voorgevoel en een voorsmaak (zoals Ruusbroec zegt) hebben, maar het "smaken" zal voor hierna (of voor het hiernamaals) zijn. Dat wil zeggen, het hiernamaals zal de volheid zijn van wat we hier(beneden) beginnen te ervaren.

Er is een diepe continuïteit tussen de ervaring van God hier-beneden (het geloof), en de ervaring van God in het hiernamaals (de glorie).

We lezen even verder in de tekst van Sint Bernardus:

Zeker en vast, is Hij niet binnengekomen door mijn ogen, want Hij heeft geen kleur; noch door mijn oren, want Hij maakt geen geluid; noch langs mijn neus, want Hij is geen lucht waarmee Hij zich kan mengen, maar Hij komt langs of door de geest. ... Langs waar is Hij dus binnengekomen? Hoe heb ik geweten dat Hij daar was? Het Woord is levend en doeltreffend (waarachtig); van zodra Hij binnengekomen is heeft Hij mijn slaperige ziel gewekt. Hij heeft mijn hart dat hard was als steen en ziekelijk, door elkaar geschud, verzacht en gewond. Hij is ook begonnen met het uittrekken, vernietigen, op te bouwen en te planten (Jer. 1,10), de verdroogde grond te irrigeren, de duistere streken te verlichten, de schuilplaatsen open te breken, de bevroren delen in vuur en vlam te gezet; Hij heeft de kronkelpaden rechtgetrokken en de weggezakte (hobbelige) paden geëffend, zo goed dat mijn ziel de Heer heeft gezegend, en dat alles in mij Zijn Heilige Naam heeft gezongen (Ps. 102, 1). Jawel, het is aan de beweging van mijn hart dat ik begrepen heb dat het Woord daar was.

Muziek nr8:

Tekst nr9:

Ik commentarieer die laatste tekst: "Hij is niet binnengekomen door mijn ogen, ... noch door mijn oren, ... noch langs mijn neus, ... maar Hij komt binnen langs mijn hart."

Het hart voor Sint-Bernardus is niet de zetel van de gevoelens, maar de zetel van de wil. En daar achter staat de definitie van het geloof als een wilsact. Anders gezegd, wanneer ik beslis om me te hechten aan Christus, dan komt Christus in mij. Het is het ogenblik waarop het Woord vlees wordt in mij. En dat is het ogenblik van de doop normaal gezien, ... maar jammer genoeg is het doopsel vaak gegeven zonder dat er een hechting aan Christus plaatsvindt ..., maar dat is een pastoraal probleem dat ons ontsnapt.

In ieder geval is Hij daar omdat: "mijn ziel voortaan gewekt is". Het hart (en ik herhaal het), het hart is de plaats van de wil in eerste instantie, en de wil zet zich dus in beweging. Sint Bernardus zal ons zeggen: "ja, het is door de beweging van mijn hart", en dus van mijn wil, "dat ik begrepen heb dat het Woord dààr was".

Dat wil zeggen dat de wil, dat is zowel dat wat de genade in beweging zet, en datgene wat toelaat dat de genade in beweging gezet wordt. We zijn hier op het punt waar de eenheid van God zich realiseert, ze bestaat uit de beoefening van de vrije wil. Wat aan het geloof behoort: het antwoorden aan de genade, en het toestaan aan de genade: om in me te komen en te groeien in mij. In het hele geestelijke leven is het de wil, niet de wil van het karakter hoor, het volontarisme, de mensen die bekwaam zijn om zichzelf te overwinnen,... Neen neen, dat niet, maar de beslissing en het in beweging zetten van alles wat ik ben door deze beslissing om Christus te volgen. En dan stelt de genade van Christus me in de mogelijkheid om Christus te volgen, en het is in alle vrijheid dat ik Christus volg.

Wat ons terugvoert tot wat ge gezegd hebt op de dag van uw doopsel. Ik geef me aan Jezus, die zich aan mij geeft. En die dag heb je dit gezegd: Christen zijn, dat is het geloof. De priester heeft gevraagd voor hij u gedoopt heeft: wat vraag je aan de Kerk? en je hebt geantwoord "het geloof". Het geloof is wat God toelaat te groeien in ons en tegelijk is het een genade die God ons geeft. Daarachter staat een hele filosofie van de vrijheid die we niet gaan uitleggen hier, maar die absoluut essentieel is om het Christelijk mysterie te begrijpen. (Die vraag naar het geloof komt niet in het ritueel van de doop van kinderen aan bod, maar wel in het ritueel van de doop van een volwassene.)

Hierover zou heel veel te zeggen zijn, maar zoals ge ziet, de genade kan niet bij de natuur opgeteld worden. De genade laat de natuur toe om te functionneren, dat ze zich vrij kan ontwikkelen.

Ziezo, deze editie van binnenskamers is weer tot zijn einde gekomen. Volgende keer zetten we nog een stapje verder op deze ontdekkingstocht in dat aspect van ons leven dat zo makkelijk in de vergeetput geduwd wordt: ons spiritueel leven.


Muziek nr9: U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer hebben gehandeld over ons spiritueel leven, met enkele sterke teksten uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur.