Binnenskamers

Drieënzestigste editie:
Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch : Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden - Hoofdstuk 3: Hoe nog andere mensen dwalen in het zoeken van God - alhoewel niet zo zwaar - en toch ontdekken ze daarom evenmin het Rijk van God in zichzelf.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraars.

In de voorige editie van binnenskamers, hoorden we dat de Heilige Bernardus ons zegt "dat het zoeken van God onderwezen moet worden. Het is iets dat we wel doen bij het zoeken van allerhande dingen die we graag zouden hebben." En hierbij neemt Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch onder andere het voorbeeld van een jager die zeer goed moet onderwezen zijn om het wild waarop hij wil jagen effectief te pakken te krijgen. Bij het zoeken van God moeten we eveneens goed weten hoe en waar we God kunnen vinden. Onze schrijver bevestigt dat het veel moeilijker en veeleisender is om God te vinden dan om als jager het gewenste wild te vinden. "Want", zo schrijft hij, "God wordt verjaagd, niet alleen als we hem zouden willen betasten met onze verbeelding of gevoelens, maar eveneens als men enkel aan de hand van verbeeldingen en met het natuurlijk verstand zich op Hem werpt. Zoals Hij zelf zegt: 'Keert uw ogen van mij af, want die hebben mij doen weg vluchten'. (Cfr. Hoogl. 6)"

Onze auteur, werd rond 1588 geboren in 's Hertogenbosch, en kreeg de naam Gerhard Verscharen bij zijn geboorte. Hij treedt binnen in het noviciaat van de Capucijnen te Gent in 1613, waar hij de naam Johannes Evangelista aanneemt. Vanaf 1620 wordt hij benoemd tot novicemeester voor heel de Vlaamse provincie van de Capucijnen in het klooster te Leuven, en wordt een gezocht geestelijk directeur. De laatste jaren van zijn leven brengt hij door in Tervuren waar hij een nieuw klooster sticht aan de rand van het Zoniënwoud, niet ver van Groenendaal waar Jan van Ruusbroec zich als kluizenaar had teruggetrokken. Hij sterft uiteindelijk in Leuven in 1635, wellicht rond de bezetting van Leuven tijdens de tachtigjarige oorlog die toen volop woedde, en waarbij de mensen van het platte land naar de steden in de omtrek trokken voor bescherming.

Johannes Evangelista wordt soms ook de Sint-Jan-van-het-Kruis van de Nederlanden genoemd. Dat lijkt misschien wat overtrokken, zeker wat betreft de stijl die soms nogal veel verwijzingen bevat van dingen die reeds gezegd werden of nog zullen komen. Maar toch weet hij wel heel toegankelijke, verhelderende en zelfs sterke beelden aan te wenden om duidelijk te maken waarover hij ons precies wil onderrichten.

Ook in deze editie zullen we ons commentaar tot een minimum herleiden. De teksten zijn vrij toegankelijk, en vragen dus niet al te veel uitleg, maar waar nodig zullen we die toch proberen bij te voegen.

Muziek nr1: Oock ghemeynlijck die Godt soecken / ontbreken in't gaede slaen vanden tijt / op den welcken Godt ghesocht ende ghevonden moet worden / want sommighe soecken hem wel ten tijde van devotie / als sy haer van binnen tot Godt genegen vinden / maer in den tijt van dorricheyt ende inwendige verlaetentheyt / laeten dat soecken achter ende keeren haer uytwaerts tot de creatueren: waer in sy mogen vergeleken worden / by eenen Jaegher die maer en soeckt ter jacht te gaen / als hy voor seker soude weten dat het wilt van selfs hem te gemoet moest komen / maer als hy wat ongemacx soude moeten hebben / ende met wat arbeyts 't wilt moeten soecken / soude hem thuys houden;

Tekst nr2:

Het derde hoofdstuk van "Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden", handelt over de manier waarop nog andere mensen dwalen in het zoeken van God. En alhoewel ze niet zo zwaar dwalen, toch ontdekken ze evenmin het Rijk van God, dat in feite in zichzelf te vinden is. Laten we nu maar luisteren naar zijn bespreking van dat thema:

Het is verwonderlijk en beklagenswaardig dat men zoveel andere toegewijde zielen vindt, die wel oprecht God schijnen te zoeken. Ze doen dat trouwens zonder Hem met eigen krachten te willen grijpen, voelen of smaken, maar (zoals ze zeggen) zich oefenen in de berusting van zichzelf; die zich inwendig tot God keren met een pure liefde in zuiver geloof. Ze doen dat trouw, altijd en overal; ze menen dan ook van alle schepselen en van zichzelf volkomen los te staan en recht tot God gekeerd te zijn. Toch zijn er onder hen zo weinig die de toegang tot God en tot zijn Rijk in ons terecht vinden. Het is hoofdzakelijk uit medelijden met dergelijke God-zoekende zielen, die met goede bedoelingen veel meer doen, en aldus veel dichter komen tot God, dat ik mij heb voorgenomen om dit onderricht neer te schrijven. Hiermee wil ik ze tonen waarin ze verdwalen, en ze de rechte weg tot God wijzen. Wat deze gebreken aangaat, ze zijn niet zo evident en tastbaar als de voorgaande. Ze zijn inwendig, verborgen en moeilijk om te onderscheiden omdat ze in vele opzichten de waarachtige manier benaderen om God te vinden. Het grootste gebrek waar veel van hen mee zitten, is dat ze denken dat ze in niets tekort schieten en geen obstakels meer hebben, en dat ze dat alles al te boven zijn gekomen. Ja, ze geloven dat ze God reeds hebben gevonden en dat er voor hen niets meer te bewerken is. Dat is juist de rede dat ze steeds in gebreke blijven en nooit verder geraken: omdat ze niet verder zoeken (te raken). Nochtans merken anderen - die door ervaring weten wat er noodzakelijk is om God werkelijk tegenwoordig te hebben - makkelijk, aan het leven en het doen van dergelijke mensen, dat zij in zichzelf bedrogen zijn en zich niet bevinden waar ze menen te moeten zijn.
Het is inderdaad wenselijk dat een dergelijke verlichte mens deze dwalende zielen duidelijk maakt dat ze bedrogen zijn, en dat ze die meteen leert waarin ze tekort schieten. Anders kan men moeilijk iets zeggen dat ze al niet menigmaal hebben gelezen in geestelijke boeken. Daarbij menen ze dat ze alles bezitten waar over de volmaakte vereniging met God geschreven is. Want alles wat die boeken ons leren over wat er moet doorgemaakt worden, denken ze dat ze daar al voorbij zijn. Evenzo, voor alles wat er te ervaren valt, menen ze dat alles ook al in zich te hebben ervaren (gezien ze dat zo aanvoelen en verwoorden).

Muziek nr2:

Tekst nr3:

Om deze zielen die zich bedriegen met een valse schijn van volmaaktheid te helpen, weet ik niets beters dan uitgebreid de woorden van de Heilige Bonaventura voor te houden waarmee hij de volmaaktheid van de zielen in dit leven beschrijft (de volmaaktheid van de zielen in dit leven, dat wij namelijk het Rijk Gods in de ziel noemen). Het is de hoogste volmaaktheid voor de mens om in dit leven zozeer God aan te hangen dat de ziel geheel - met al haar krachten en vermogens - in God verenigt, één geest met Hem wordt; zodat ze niets denkt dan God, dat ze niets voelt dan God, dat ze niets verstaat dan God; en dat alle gevoelens van de ziel verzamelt in de blijdschap van de liefde; enkel zacht rusten in het genieten van haar schepper. Want het beeld van God in de ziel bestaat uit drie krachten, namelijk: verstand, memorie en wil. Zo lang deze niet geheel in God gedrukt zijn, zo is de ziel niet Godvormig. Want de vorm van de ziel is God, en in Hem moet ze gedrukt worden, zoals een zegel. Dit gebeurt nooit geheel, enkel wanneer [ten eerste] het verstand volledig verlicht wordt in de kennis van God - die de hoogste waarheid is, [ten tweede] de wil volkomen bewogen wordt om de hoogste goedheid te beminnen, en [ten derde] de memorie volledig opgeslorpt is in het beschouwen, en om de hoogste zaligheid te genieten en te behouden. Want in het bezitten van deze drie (hogere krachten) is de glorie van de zaligheid gelegen, die volmaakt zal zijn in het eeuwig leven. Hieruit blijkt dat het volkomen begin van deze [zaligheid], de volmaaktheid is in dit leven. En kort daarna zegt hij nog dat de volmaaktheid van het gebed erin bestaat dat de ziel datgene verkrijgt waar ze naar streeft door het bidden. Dat wil zeggen dat ze geheel - vanaf de laagste dingen - afgetrokken, en enkel met het goddelijke verenigd wordt; en dat ze niets weten noch vermag te ervaren dan God zelf. Daar rust de ziel waarachtig. Daar vermaakt ze zich in de klaarte van het licht, in het genoegen van de Goddelijke zaligheid en in de zekerheid van de vrede. Terecht noemt deze Heilige Leraar een dergelijke vereniging: de opperste volmaaktheid van de ziel in dit leven. Daarin blijkt tevens dat de ziel van alle ongelijkheid en menigvuldigheid volledig afgescheiden is, en dat haar krachten rusten in God; en wel beminnelijk, vriendelijk, zonder macht noch inspanning; zoals de woorden het te kennen geven en de hoogste volmaaktheid het vereist, naar ieders eerste oordeel.

Muziek nr3: daer rust de ziel waerlijck / daer vermaeckt sy haer inde klaerheyt des lichts / inde lusticheyt vande Goddelijcke salicheyt ende sekerheyt des vrede. Met recht noemt desen H. Leeraer dusdanighe vereeninghe de opperste volmaecktheyt der zielen in dit leven / want inde selve als blijckt / is de ziel van alle onghelijckheyt ende menichvuldicheyt volkomentlijck afghescheyden / ende naer haer krachten rustende in Godt / ende dat liefelijck / soetelijck / sonder ghewelt / ende arbeyt / ghelijck de woorden te kennen gheven / ende de opperste volmaecktheyt vereyscht / oock naer een-ieghelijcks eerste begrijp.

Tekst nr4:

Waarlijk, indien de vereniging van de ziel met God maar naar een kracht, of gedeeltelijk was, en aangezien de ziel dit niet altijd zonder geweld en arbeid bekomen (en behouden) kan, zal ze er niet in kunnen berusten noch daarmee tevreden zijn. De vereniging waar God de mens in het begin had gezet, was ook zoals hierboven beschreven. Daarom moet de ziel die tot de volmaaktheid wil komen wel letten en aandacht geven op de wijze waarop ze zich tot God keert en Hem tegenwoordig heeft (zoals dit tot hiertoe beschreven is). Want als ze [God] maar gedeeltelijk of met een kracht [bezit], kan ze die niet anders dan met veel moeite en geweldige inspanning behouden. Aldus is ze nog niet goed begonnen om tot de waarachtige volmaaktheid te komen waarvan we hier (in wat volgt) duidelijk zullen spreken. We moeten wel attent blijven over wie het hier gaat, (zij die - wanneer ze in zichzelf enige inwendige zuivering, vrede en rust gewaar worden - zich reeds met God verbonden achten, wanneer er nochtans nog veel aan die ware vereniging ontbreekt). Hetzelfde betreft hun (vrome) oefeningen, waarmee ze niets bereiken, alhoewel het lovenswaardig is een dergelijke inwendige gesteltenis te hebben (althans voor zover ze een middel is tot grotere volmaaktheid). Zo valt het hen nochtans kwalijk te nemen, dat ze het middel tot doel hebben genomen. Ze hebben daarin willen berusten, in de mening dat ze de manier kenden om met God terecht verenigd te zijn. Dat ze dan op deze woorden letten, en haar vereniging met God vergelijken met wat de Heilige Bonaventura beschrijft, over hen die in het hoogste en de top van de opperste volmaaktheid in zich bezitten, zonder te vergeten attent te zijn op haar fundamenten: wie alleen zijn ogen omhoog richt, naar de hemel, en niet ziet hoe ver de aarde onder hem verwijderd is, kan niet weten of hij hoog in de lucht is, of niet. Dus, wie alleen streeft naar de uiterste volmaaktheid, die spreekt van de vereniging, de ledigheid en de zuiverheid die de natuur ook versieren en nabootsen kan, zonder aandacht te geven aan de fundamenten daarvan, om te zien of hij die ook bezit, kan zich moeilijk voordoen als zeer volmaakt, gezien hij daar veel in tekort schiet. Hij zou er zekerder van zijn, mocht hij nagaan of hij de fundamenten van die volmaaktheid in zich waarachtig bezit. (We zullen het hierover in het bijzonder hebben.) En de zielen die daarnaar trachten, vragen wij dat ze zichzelf met nederige aandacht willen onderzoeken, en zonder affectie zouden oordelen of ze die in zich bezitten.

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Als we aldus verder gaan dan de inwendige gesteltenis van deze volmaakt-lijkende mensen, zonder na te gaan wat haar inwendig voorwerp (van verering of beschouwing) is, hetzij enig subtiel beeld, of ze dan wel rust in een natuurlijke ledigheid, of op enige gave van God; wijzen wij haar op haar leven en dagelijkse werken die de zekerste getuigenis van de waarheid geven moet, en die niet liegen kan. De ziel die aldus God op de vroeger vermelde manier heeft verkregen, moet geheel Goddelijk wezen in al haar (werken,) woorden, doen en laten, zodat men aan haar kan merken dat zij inwendig met God verenigd is. Dit brengt het woord vereniging met zich mee, dat geen andere verklaring vereist. Zodat de ziel niet enkel alles wat iets van het kwaad wegheeft uitermate moet schuwen, en tot alle deugd en goed bereid gevonden moet worden, maar ze moet ook altijd het beste en het volmaaktste naar al haar mogelijkheid zonder bedoeling van eigen belang zuiver om God volbrengen. Het volstaat niet om te doen wat goed is, als het beter en volmaakter gedaan kan worden. Dit vereist dat ze zichzelf verniet, en dat ze verenigd is met God. (Vernieten betekent dat ze: zichzelf niet acht, zich vernedert, zich verootmoedigt, of beter: in haar niet verzinkt)
Hier schieten nu veel geestelijke mensen in tekort, die nochtans de mond vol hebben over de volmaaktheid en de vereniging met God, maar in hun omgang en leven ziet men meerdere gebreken overeind staan die niet met het vereniging met God kunnen samengaan. Zoals onder andere het minste tijdverlies in nutteloze woorden en werken zonder dat ze daar zwaar aan tillen, of zich daardoor inwendig door gehinderd weten. Of nog, als ze belangrijke en goede dingen moeten doen, zien we ze met hun hele natuur en (zintuiglijke) verlangens naartoe keren. Waarlijk, dit is makkelijk te merken voor degene die verlichte inwendige ogen hebben, en voor wie enkel tekenen volstaan om te oordelen dat dergelijke mensen ook ten tijde van hun verlatenheid en gebed God niet waarachtig onbemiddeld tegenwoordig hebben. En bij al diegenen die zichzelf grondig willen onderzoeken zouden daar noch wel meerdere dingen vinden die niet samen kunnen gaan met de oprechte aanwezigheid van God.

Muziek nr5: De ziel dan die Godt op de voorseyde manier verkregen heeft / moet gansch Goddelijck wesen en alle haer wercken / woorden / ende ghelaet / soo datmen aen haer mercke dat sy met Godt inwendich vereenicht is / ende dit brengt mede het woordt vereeninge / d'welck geen ander bediedinghe en vereyscht. Soo dat de ziel niet alleen al dat eenighe ghedaente van quaet heeft ten uytersten en moet schouwen / ende tot alle deught ende goet bereet wesen / maer moet oock altijdt 't beste ende 't volmaecktste naer alle haer moghelijckheyt / sonder opsicht van eyghen baet puerlijck om Godt volbrenghen / ende en volstaet niet met te doen dat goet is / alsser een beter ende volmaeckter ghedaen kan worden. Dit verheyschende in haer de vernietinghe haers selfs / ende de vereeninge met Godt.

Tekst nr6:

De inwendige gebreken van deze mensen zijn nu eenmaal tegengesteld aan die van wie we in het vorige hoofdstuk hebben gesproken, want die dwalen omdat zij blijven hangen bij de middelen zonder tot het doel te gaan, waar dezen gericht staan tot hun doel en menen dat verkregen te hebben, zonder de juiste middelen te hebben of te benutten. Laten we ons dit verhelderen door de staat van de een en de ander (maar vooral van de laatste) nog door enkele uitwendige gelijkenissen toe te lichten om het verschil duidelijker te merken. Zodat ieder zijn eigen gesteltenis beter mag onderkennen, en zien waarom hij van God vervreemd blijft, en hoe hij Hem bereiken kan.
De eerste dwalende zoekers zijn te vergelijken met iemand die op het land met veel arbeid en moeite zoekt wat hij enkel over zee kan vinden, zonder te weten hoe en waar hij aan de zee kan komen, ja zelfs zonder te weten dat hij wat hij zoekt enkel over zee kan vinden. Want God, die ze zouden moeten zoeken boven haar natuur, in de geest, in een onverbeeldheid, in stilte en eenzaamheid, zoeken ze in haar natuur en in het eigen land door verbeeldheid, aardse bezigheden en menigvuldigheid. Ze weten niet te spreken over onverbeeldheid, stilte of eenzaamheid, of evenmin dat God daar te vinden is, en dat zij daartoe een overvaart moeten ondernemen.

(Een overvaart naar de overkant, van de oceaan bijvoorbeeld.)

Muziek nr6:

Tekst nr7:

De anderen zijn als iemand die wel weet dat hij over zee moet om te vinden wat hij zoekt; waarom hij het land heeft verlaten en tot aan de oever van de zee is gekomen. Die zee ziet hij wel, maar heeft het moeilijk om die over te steken. Hij weet niet goed hoe men te water kan gaan. Deze mensen weten wel dat God boven haar krachten in een onverbeeldheid en overgave te vinden is, en zij voegen zich daar ook toe en zijn ijverig om daartoe te komen. Maar als ze in de buurt komen weten ze niet hoe zij zich daar gedragen moeten en hoe ze verder zullen geraken. Toch komen onder hen de enen al dichter bij dan de anderen. Ze falen niet allen even grof, omdat sommigen van hen, ja de meesten als puntje bij paaltje komt, zich menen te oefenen in het zuiver geloof en de waarachtige gelatenheid. Bovendien rusten zij nog op subtiele beelden, en zijn zeer gehecht aan het aardse. Ze mogen dan al een stuk weg hebben afgelegd, en de zee dichter bij genaderd zijn dan de anderen en ze zelf al in het zicht hebben, noch zijn ze niet op zee beland maar staan op het platte land. Anderen die zich in het geloof oefenen en veel uiterlijke dingen hebben achtergelaten voor God, maar nog niet helemaal, vinden in zichzelf wel enige zuivering van de geschapen dingen, inwendige rust en vrede. Ze kunnen zich zelfs daartoe wel eens keren in zichzelf. Hiermee denken ze het recht te hebben tot God te gaan zonder dat ze eraan denken om meer achter te laten. Het is zoals iemand die in een schip is dat niettegenstaande het op zee is, nochtans met een koord aan het land is vastgemaakt. En omdat hij uit het schip niet kan zien, noch op de koord let, meent hij dat het volstaat om daar te zijn. Voortdurend denkt hij dat hij verder gaat, en toch blijft hij altijd maar op dezelfde plaats.
Weer anderen laten wel alles buiten zichzelf, maar behouden zichzelf. Ze zoeken hun eigen troost, voordeel en gemak in God. Dezen kunnen zich makkelijker en standvastiger in zichzelf inkeren, en daarom denken ze dat ze God bekomen hebben, of recht tot hem gaan. Maar ze zijn als iemand die op een schip is, dat het land verlaten heeft, en op volle zee (op de grond of een zandbank) is vastgelopen. En omdat degene die daarin zit tevreden is dat hij weg is van land, zonder te merken dat hij vast ligt. Hij meent dat hij verder vaart, en toch verroert hij zich niet.
Anderen wederom, wel wetende dat zij met zichzelf begaan zijn, en dat ze zichzelf moeten achterlaten om tot God te komen, zoeken dat met eigen inspanningen te bekomen. Ze zijn te vergelijken met degenen die wel weten dat het schip waar hij in is, vast zit. En daarom zou hij zich proberen los te maken door een koord aan de mast vast te maken, gelovende dat hij het schip los zou kunnen maken en verder trekken door daar zo goed mogelijk aan te trekken. Het is alleen maar verloren moeite.

Muziek nr7: Sy en weten niet dat wesende gebloot vande creaturen sy ontwrocht moeten worden van haer selven / ende haeren geest moeten op-rechten boven de krachten der zielen / daer sy ghewaer souden worden die invloeyinge des Goddelijcke lichts / waer door sy meer gevoert souden worden boven alle creaturen ende haer selven tot Godt / gelijck een schip 't welck wesende in volle zee / met uyt-ghespannen seylen / is door de hulpe des windts ghedreven naer de haven. Maer blijven als dolende schepen in het midden der woeste zee / die den rechten wegh tot de haven niet en weten / die welcke komen altemets te varen op een plaete / oft worden door tempeest vervoert in vremde landen / oft komen oock wel te breken ende te verdrincken.

Tekst nr8:

Anderen die los zijn van alle dingen buiten haar, en ook vrij van zichzelf, menen dat het daarmee genoeg is. Ze doen dus verder niets, gelovend dat zij in die toestand steeds meer in God kunnen geraken. Zij zijn gelijk aan degene die zich op zee bevinden, weg van het land, en zou denken dat hij niets meer moet doen. Hij zou geen mast oprichten, noch een zeil spannen, gelovende dat de vloed van de zee hem ter bestemming zou voeren in de haven. Hij zou blijven zwalpen op de zee, nu hier, dan daar, en er geen profijt uit haalt.
Zie, zo dwalen veel van deze (laatste) soort God-zoekende mensen. Ze mogen zich dan wel dicht tegen de juiste weg bevinden om God haast te vinden. Maar toch bevinden ze er zich evenwel niet op, en dat, ofwel omdat zij niet voldoende de schepselen en zichzelf verlaten, ofwel omdat zij te veel of te weinig werken in God, ofwel omdat zij een subtiele verbeelding behouden.
Zij weten niet dat ze gezuiverd van de schepselen, ze ontdaan moeten worden van zichzelf, en haar geest moet oprichten boven de krachten van de ziel, waardoor ze het invloeiend Goddelijk licht zou gewaarworden. Daardoor zouden ze meer boven alle schepselen en zichzelf gevoerd worden tot God, zoals een schip dat in volle zee met uitgezette zeilen met de hulp van de wind naar de haven gebracht wordt. Maar zij blijven als verdwaalde schepen in het midden van de woeste zee, die de juiste weg naar de haven niet kennen. Ofwel lopen ze vast op een zandplaat en blijven ter plaatse, of worden ze door een storm naar vreemde landen gevoerd, of nog worden ze ook soms stukgebroken en verdrinken. Zo ook kunnen deze dwalende mensen, omdat er tussen God en mensen geen stilstaan bestaat, wel een tijdje in hun eerste vurigheid verwijlen en erop vertrouwen dat ze God bezitten en op de rechte weg zich bevinden naar Hem, maar nadien vallen ze geheel terug in hun natuur, of staan in vreemde opinies en fantasieën, of keren zich schadelijk uit tot de schepselen.
En als iemand van deze mensen met zijn natuurlijke inkeer staande kon blijven zonder daarbij een overvaart te maken uit zichzelf in God, die zou wel in de buurt van God zijn maar niet in God. En hoewel degene die in de omgeving van iets komt, daar wel voor een deel van geniet, zo is het hier nochtans niet het geval. Want zoals we het hiervoor hebben aangeraakt en er later nog over zullen hebben, over de waarachtige tegenwoordigheid van God kan men noch een stuk noch een deel hebben. Ofwel heeft men Hem helemaal, ofwel heeft men niets. En juist daarom, al schijnt het dat deze mensen in de buurt komen van dezen die God oprecht in zich gevonden hebben, toch is er een groot verschil tussen hen; niet alleen inwendig, maar ook uitwendig in hun leven en omgang. Dit valt ook makkelijk op te merken, want de enen mogen goed en deugdelijk zijn, maar de anderen zijn hemels en goddelijk; de enen zijn nog mensen en men vindt in hen nog menselijkheid, maar de anderen zijn aardse engelen en zijn gestorven voor al wat menselijk is. Dit zal duidelijk worden als we hier naar de inwendige gesteltenis van deze mensen zullen peilen.

Muziek nr8:

Tekst nr9:

Ziezo, we zijn aan het einde gekomen van dit derde hoofdstuk van onze "Sint-Jan-van-het-Kruis van de lage landen". We hoorden hoe hij daar over de manier waarop nog andere mensen dwalen in het zoeken van God heeft geschreven. En alhoewel die niet zo zwaar dwalen, toch ontdekken ze evenmin het Rijk van God, dat in feite in zichzelf te vinden is. Eenvoudig is het enerzijds, en toch is er de geestelijke strijd. Alhoewel die van alle tijden is, weegt hij misschien zwaarder door dan ooit, met alles wat onze zintuigen als input te verwerken krijgen.

Ieder van ons heeft alles gekregen om door God gered te worden, en zelfs om tot de grootst en hoogst mogelijke eenheid met God te komen. Maar daarvoor moeten we een inwendige weg gaan. Toch verkiezen we het materiële, aardse en zondige leven boven onze goddelijke roeping. Zolang we hier op aarde leven kunnen we ons echter wel nog bekeren. Johannes Evangelista wil ons hiervoor de ogen openen.

We nemen hierbij nogmaals dat stukje tekst dat Jan van Ruusbroec ons hierover heeft nagelaten: "De mens die zich meer naar bínnen keert om Gods spreken te horen dan naar buiten naar de woorden van de mensen; die naar het woord Gods liever luistert om te léven dan om te wéten; voor wie het Woord Gods een spijs is, die naar God toeleidt en waarin hij God boven alles leert smaken; die met geloof en trouw bij het inwendig woord blijft: - hij is het, die oren heeft om te horen, en hij is in staat de gehele waarheid te verstaan, die God hem wil openbaren. Hij is het ook die alle zonden overwint (dat is de eerste dood), en hij wordt niet getroffen door de eeuwige pijnen (dat is door de tweede dood, die altijd op de zonde volgt)."

Die inkeer is dus een gerichte inkeer, en die diepweg het gevolg is van een radicate en totale bekering, weg van onze ongeordende natuurlijke neigingen, tot een gelijkvormigheid met God. De beelden die onze schrijver ons aanreikt zijn hopelijk doeltreffend om zelf in ons eigen leven na te gaan waar wij ons bevinden, en of wij nog vastberaden voortgaan op die weg, of de moed hebben verloren om te volharden in het geloof, de hoop en de liefde.

De volgende keer zullen we het vervolg van het werk van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch hoofdstuk na hoofdstuk ter hand nemen. Hij was een eenvoudige maar diepzinnige Capucijn uit de 16e-17e eeuw, en heeft nog een boodschap die ons kan helpen op onze christelijke levensweg.

Beste luisteraars, hopelijk hebben deze woorden over "Het Rijk van God in onze zielen" jullie hart kunnen raken, en mogen we jullie volgende keer opnieuw rekenen onder onze trouwe toehoorders. Tot de volgende keer.


Vrij vertaald uit de "Het Ryck Godts inder Zielen oft binnen u lieden" van Johannes Evangelista van 's Hertogenbosch.

Muziek nr9: U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer hebben gelezen uit de "Het Rijk van God in onze zielen", een boeiend en beeldrijk werk uit de rijke schat van de Christelijke Spirituele Literatuur.