Binnenskamers

Vijfenveertigste editie: Jan van Ruusbroec (1293-1381): Bijzondere teksten en begrippen van Ruusbroec; een hulp om de mystieke teksten beter te begrijpen. - Aflevering 4.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraars. We zijn hier weer met teksten van Ruusbroec de wonderbare. Vorige drie edities hebben we hem reeds ter hand genomen om dieper in te dringen in de mystieke literatuur. Het zijn geen gemakkelijke teksten, vooral omdat we niet meer zeer vertrouwd zijn met dat soort literatuur. In het verleden hebben we dat soort teksten trouwens heel stiefmoederlijk behandeld omdat we er een systematische theologie in hebben willen terugvinden. Maar het zijn eerder fenomenologische teksten, die een beschrijving geven van wat we kunnen ervaren in een intieme relatie met God. Deze teksten laten eigenlijk geen oppervlakkige lezing toe. Ze proberen het onzegbare onder woorden te brengen, en vragen dus een groote aandacht om te kunnen binnentreden in die wereld die ze omschrijven. Hopelijk zijn de teksten tot hier toe niet te zwaar uitgevallen voor de meeste luisteraars.

Het mooie van een dergelijke literatuur is evenwel dat we zelfs als we niet alles hebben begrepen, er hier en daar toch wel een paar zaadjes van die sterke teksten in ons hart in goede aarde kunnen vallen. Die zaadjes komen soms wel zeer nietig over, maar toch hebben ze een enorme potentiële kracht. We kunnen hierbij zeker een vergelijking maken met de parabel van het mosterdzaadje, dat met het blote oog amper zichtbaar is, en toch een grote struik, ja eigenlijk tot een boom uitgroeit.

Met die teksten raken we wel heel diepe dingen van ons leven aan. En hoe dieper we doordringen in de specifieke woordenschat die Ruusbroec ons geeft (en met hem vele andere spirituele schrijvers), hoe duidelijker we zicht krijgen op wat ze ons willen overbrengen. Stilaan wordt het allemaal heel evident als we er meer en meer in thuis komen. We krijgen dan stilaan een klaarder inzicht in het wondere liefdesavontuur van de spirituele mens.

In de komende edities beloofden we dat we opnieuw enkele teksten van de Zalige Jan van Ruusbroec terhand zouden nemen. In deze uitzending zullen we een stukje van een gedicht van Eckhart (of van uit zijn omgeving) lezen, naast enkele teksten van Die Gheestelike Brulocht eveneens stukken lezen uit Dat Boecsken der Verclaringhe, uit Dat Rijcke der Ghelieven en uit het werkje Vanden XII Beghinen van Ruusbroec.

Tijdens de muzikale pauze hernemen we een tekstje van de vorige editie in het Middelnederlands, waarin de de Zalige Jan van Ruusbroec het heeft over de eenheid van God, waaruit een eenvoudig licht schijnt dat duister overkomt en dat hem omvat en doet verdwalen in onwijzen. Hij wordt overwonnen door de grondeloze minne van God, maar door zijn genietend smaken en verlangen van zijn geest, overwint hij God en wordt één geest met Hem.

Muziek nr1: Ende uter eenicheit Gods schijnt in hem een eenvuldich licht, ende dit (I 224) licht toent hem duysternisse, bloetheit ende niet. Inder duysternissen wert hi omvaen ende valt in onwisen alse in een verdolen. Inder bloetheit verliest hi ghemerc ende ondersceet van allen dinghen ende wert overformt ende dore-gaen met eenvoldigher Claerheit. Inden 5 niete faeilleert hi alle sijns werkes, want inden werkene der grondeloser minnen Gods wert hi verwonnen. Ende in der ghebrukelijcker neyghinghen sijns gheests verwint hi Gode ende wert één gheest met Hem.

Tekst nr2:

Gekend onder de naam van Granum sinapis (" mosterdzaad "), komt het gedichtje met acht strofen (dat we nu gaan beluisteren) uit het milieu van Meester Eckhart voort. We zullen een vertaling van de strofes 5 tot en met 7 voorlezen, waarin we de frappante nabijheid van de Ruusbroecse thema's in zullen herkennen. Op de website vindt u het gedicht in zijn oorspronkelijke versie terug, naast een Franse en Duitse vertaling terug, met uiteindelijk de Nederlandse vertaling die we nu zullen voorlezen.

V :

Daz wüste gût nî vûz durch wût,
geschaffen sin quam nî dâ hin:
us ist und weis doch nimant was.
us hî, us dâ, us verre, us nâ,
us tîf, us hô, us ist alsô,
daz us ist weder diz noch daz.
Le bien sauvage, aucun pied ne l’a, jamais foulé ;
aucune intelligence créée ne l’a jamais pénétré :
c’est – et pourtant personne ne sait ce que c'est.
C'est ici, c'est là, c’est loin, c’est près,
c'est profond, c'est élevé : c’est comme ça,
ce n’est ni ceci, ni cela !
Der Wüste Gut durchschritt nie ein Fuß,
geschaffener Verstand kam nie dahin:
Es ist, und doch weiß niemand, was (es ist).
Es ist hier, es ist da, es ist fern, es ist nah,
es ist tief, es ist hoch, es ist [dennoch] so,
daß es weder dies noch das ist.
Het wilde goed, geen voet heeft hem nooit verzwicht;
geschapen verstand kwam er nooit achter:
Het is, en toch weet niemand wat het is.
Het is hier, het is daar, het is ver, het is nabij:
het is diep, het is hoog, het is (al)zo,
het is wederom noch dit noch dat.

VI :

Us licht, us clâr, us vinster gâr,
us unbenant, us unbekant,
beginnes und ouch endes vrî,
us stille stât, blôs âne wât.
wer weiz sîn hûs?
der gê her ûz und sage uns, welich sîn forme sî.
C'est léger, c’est clair, c’est complètement obscur,
c’est sans nom, c’est inconnu,
c’est sans commencement ni fin,
c’est dans le silence, nu et dépouillé.
Qui connaît sa demeure ?
Qu’il sorte, celui-là, et nous dise à quoi il ressemble !
Es ist licht, es ist hell, es ist ganz dunkel,
es ist ohne Namen, es ist unerkannt,
von Anfang und auch Ende frei,
es steht still, ist bloß, ohne Kleid.
Wer kennt sein Haus?
Der komme heraus und sage uns, welches seine Gestalt sei.
Het is licht, het is klaar, het is volledig donker,
het is zonder naam, het is onbekend,
zonder begin en vrij van eind,
het staat stil, bloot en zonder kleed.
Wie kent zijn huis?
Dat die buiten komt en ons zegt, welk zijn gestalte is.

VII :

Wirt als ein kint wirt toup, wirt blint!
dîn selbes icht mûz werden nicht,
al icht, al nicht trîb uber hôr!
lâ stat, lâ zît, ouch bilde mît!
genk âne wek den smalen stek,
sô kums du an der wûste spôr.
Deviens comme un enfant, deviens sourd, deviens aveugle !
Ce que tu es en propre doit devenir rien ;
tout ce qui est quelque chose, tout ce qui n'est rien doit être traversé.
Laisse le lieu, laisse le temps, laisse aussi toute image :
emprunte sans savoir la route le sentier étroit,
et tu trouveras le chemin sauvage.
Werde wie ein Kind, werde taub, werde blind!
Dein eigenes Sein muß Nichts werden,
alles Etwas, alles Nichts treibe hinweg!
Laß Ort, laß Zeit, meide auch das Bild!
Geh ohne Weg den schmalen Steg,
so findest du der Wüste Spur.
Word als een kind, word doof, word blind!
wat je zelf bent, moet worden niet!
verlaat plaats, verlaat tijd, en het beeld erbij!
ga één weg, het smalle pad,
zo vind u het woeste spoor.

Muziek nr2:

Tekst nr3:

De verwerping van het illuminisme (dat een voortdurende verleiding is in de geschiedenis van de spiritualiteit) komt frekwent voor bij Ruusbroec en is namelijk het belangrijkste onderwerp van Dat Boecsken der Verclaringhe, waarin hij de opwerpingen aanpakt die werden gemaakt op Dat Rijcke der Ghelieven. (In Vanden Blinckenden Steen neemt hij daarentegen de opwerpingen aan die gemaakt werden op Die Gheestelike Brulocht).

(Moereels.7 p.107) Zie, aldus kunt gij merken, dat wij met God middellijk verenigd zijn, zowel hier in de genade als ook in de glorie. En in dit middel bestaat een groot onderscheid en verschil zowel Van leven als van loon, zoals ik u reeds gezegd heb. En dit begreep sint Paulus wel, toen hij sprak, dat hij begeerde ontbonden te worden uit het lichaam, en mét Christus te zijn (vgl. Pil. 1, 23); maar hij zegde niet, dat hij Christus zelf wilde zijn of God, zoals sommige ongelovige verdwaasde mensen, die zeggen, dat zij geen God hebben, en beweren dat zij zo aan zichzelf gestorven zijn en één met God, dat zij God geworden zijn. Zie deze mensen zijn, dank zij een eenvuldige simpelheid en een natuurlijke geneigdheid in de blootheid van hun wezen, zozeer ingekeerd, dat naar hun zeggen het eeuwig leven niets anders zal zijn dan een ’istig’ zalig (p.109) bestaan, zonder onderscheid van orde, heiligheid of loon. Ja, sommigen zijn zo verdwaasd, dat zij zeggen, dat de Personen in de Godheid zullen vergaan en dat er in de eeuwigheid niets anders meer zal overblijven dan de wezenlijke substantie van de Godheid, en dat alle zalige geesten met God zo eenvuldig in de wezenlijke zaligheid zullen gekeerd zijn, dat er daarbuiten niets zal blijven : noch willen, noch werken, noch onderscheiden kennis van welk schepsel ook. Zie, deze mensen zijn verdoold in een ledige, verblinde enkelvoudigheid van hun eigen wezen, en zij willen zalig zijn binnen de perken van hun blote natuur. Want zij zijn zo eenvuldig en zo ledig geënigd met het blote wezen van hun ziel en het aanwezig–zijn van God in hen, dat zij in– noch uitwendig enige vlijt of enige toewijding ten overstaan van God aan de dag leggen. Want in de hoogste top, waarin zij ingekeerd zijn, gevoelen zij niets dan de enkelvoudigheid van hun wezen dat in Gods wezen hangt; en die loutere enkelvoudigheid, die zij ervaren, houden zij voor God, omdat zij daarin een natuurlijke rust vinden; en daarom dunkt het hun in de grond van hun enkelvoudigheid, dat zij God zijn. Hun ontbreekt het inderdaad aan, echt geloof, hoop en liefde;

Dat Boecsken der Verclaringhe, III, 278s

Een ’istig’ zalig (p.109) bestaan is een zalig bestaan dat het wezen aangaat. Maar voor de rest spreekt die tekst voor zichzelf. Als wij enkel in onze natuur onze rust zoeken, dan blijven we verstoken van de relatie en eenheid met God... Ruusbroec reageert hier hevig tegen de ketterse opvattingen van een spirituele beweging die Pomerius (een biograaf van Ruusbroec) de beweging van "de Vrije Geest" noemt. Maar Ruusbroec zelf noemt deze tegenstrevers en misleiders nooit bij naam, het is dus moeilijk om met zekerheid te zeggen wie ze precies zijn. Toch heeft de anders zo milde mysticus voor hen uiterst strenge woorden, zoals hier bijvoorbeeld in de volgende zin uit het tweede boek (Het God-begerend leven) van Die Geestelike Brulocht: "Zij leven in tegenstijd met God en alle heiligen: zij lijken wel op de verdoemde geesten in de hel". (Dese sijn contrarie Gode ende alle sinen heilighen. Maer si sijn wel ghelijc den verdoemden gheesten inder helle. cfr.: Werken I p.237, v.23)

Muziek nr3: Siet, aldus moechdi merken dat wij met Gode vereenicht sijn overmids middel, beide hier inder graciën ende oec in der gloriën. Ende in desen middel es groot onderscheet ende anderheit, beide van levene ende van loene, ghelijckerwijs alse ic u gheseghet hebbe. Ende dit verstont Sinte Pauwels wel doe hi sprac, dat hi begherde ontbonden te sine vanden lichame ende met Cristo te sine. Maer hi en sprac niet, dat hi Cristus woude sijn selve, ochte God, ...

Tekst nr4:

En omdat ze geen echt geloof, hoop en liefde hebben, vervolgt Ruusbroec:

(Moereels.7 p.109) en wegens die blote ledigheid, die zij gewaar worden en bezitten, zeggen zij dat zij zonder kennis, zonder liefde en zonder deugden zijn. En daarom leggen zij er zich op toe zonder geweten te leven, wat kwaad ze ook doen. En zij verwaarlozen alle sacramenten, alle deugden en alle gebruiken der heilige Kerk. Want zij menen, dat zij daar geen behoefte aan hebben, en naar hun opvatting staan zij boven dit alles, terwijl de onvolmaakte mensen, zeggen zij, dit nodig hebben. En sommigen zijn in die enkelvoudigheid zo verstokt en vergroeid, dat zij zo ledig zijn en onachtzaam voor alle werken, die God ooit tot stand bracht, en tegenover heel de Schriftuur, alsof er nooit een letter geschreven was geweest. Want zij menen, dat zij datgene (Moereels.7 p.111) gevonden hebben en bezitten, waarom gans de Schriftuur gemaakt is, namelijk de blinde wezenlijke rust, die zij ervaren. In feite hebben zij God en alle wegen, die naar Hem toe kunnen leiden, verloren; want zij hebben niet meer innigheid noch devotie, noch heilige oefeningen dan een dood beest. En toch naderen zij soms tot het heilig Sacrament, en bijwijlen halen zij de Schriftuur aan, om zich gemakkelijker te kunnen vermommen en verbergen. En zij steunen graag op sommige vage uitdrukkingen van de Schriftuur, die zij naar hun zin vals interpreteren kunnen, om de andere, eenvoudige mensen te behagen en in de valse ledigheid, die zij beleven, mee te trekken.
(Moereels.7 p.111) Zie, deze lieden denken dat zij wijzer en slimmer zijn dan wie ook. Nochtans zijn zij de plompste en de grofste die er leven.

Dat Boecsken der Verclaringhe, III, 278s

Het is deze keer inderdaad een harde maar vastberaden Ruusbroec die we hier aan het werk zien. Maar als we goed hebben geluisterd, dan beseffen we ook dat het hier effectief over zeer belangrijke dingen gaat, die goed begrepen moeten worden omdat ze anders geen onschuldige gevolgen hebben. Ruusbroec onderlijnt hier een zeer scherp contrast dat er bestaat tussen het denken en het zijn (van die lieden). In zekere zin schijnt deze ketterij heel veel gemeen te hebben met de Gnostiekers van de eerste eeuwen. Als hier inderdaad geen klaarheid over bestaat, dan belanden we in zeer troebele wateren.

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Om niet enkel en alleen te blijven staan bij wat het geestelijk leven zeker niet is, moeten we nog wat grondiger nagaan wat die ware eenheid van het hart dan wel is bij een Godlievend mens, en wat de inwendige vrede en rust in het gemoed voor hen betekent. We zien hier dat Ruusbroec heel sterk onderlijnt dat dit het werk is van God. De genade en het bovennatuurlijke komen van hem en niet van ons.

Wij kunnen geen ware eenheid verkrijgen, tenzij de Geest Gods zijn vuur in ons hart ontsteekt. Want het vuur maakt alles wat het overweldigen en overvormen kan één en aan zich gelijk. Eenheid is er als de mens zich van binnen met al zijn krachten verzameld voelt in de eenheid van zijn hart. Eenheid geeft inwendige vrede en rust in het gemoed. Eenheid van hart is een band, die lichaam en ziel, hart en zin en alle uit– en inwendige krachten samentrekt en omvat in eenheid van minne. Uit deze eenheid komt innigheid of vurigheid voort. Niemand kan innig zijn, tenzij hij in zichzelf tot eenheid gekomen is. Innigheid betekent dat de mens inwendig naar binnen gekeerd is tot zijn eigen hart, zodat hij het inwerken en het inspreken van God vernemen en ervaren kan. Innigheid is een voelbaar vuur van minne, dat de Geest Gods ontvonkt heeft en doet branden. Innigheid brandt en stuwt en stookt de mens inwendig, zonder dat hij weet waar het vandaan komt of wat hem overkomen is.
Uit innigheid komt gevoelde liefde voort, die 's mensen hart en zijn begerende zielekracht doordringt. Deze begeerlijke liefde met gevoelige smaak van het hart kan niemand hebben tenzij hij innig van gemoed is. Gevoelige liefde en minne, dat is een begerend, smakend verlangen naar God als naar een eeuwig goed, waarin alle goed besloten ligt. Gevoelige liefde laat alle schepselen los, wat het behagen er in, niet wat het noodzakelijk gebruik, betreft. Innige liefde voelt zich inwendig geraakt door een eeuwige minne, die zij zonder ophouden involgen moet. (p.167) Innige liefde verzaakt en versmaadt zonder moeite alle dingen, om datgene te verkrijgen wat zij mint.

Die Gheestelike Brulocht, I, 153

Muziek nr5: Want 35 wij en moghen niet ghewarigher eenicheit vercrighen, en si (I 153) dat die Gheest Gods sijn vier ontfuncke in onser herten. Want dat vier maect één, ende sijn ghelijc, in alle die dinghe diet verweldighen ende overformen mach. Eenicheit es, dat hem die mensce ghevoelt vergadert van binnen met alle 5 sinen crachten in eenicheit sijns herten. Eenicheit maect inwindighen vrede ende ruste van herten.

Tekst nr6:

En dachten we dat we nu alles hadden gehoord van dit prachtige werk dat God in ons verrichten kan, dan hebben we het mis. We krijgen nu een tekstje te horen uit het werkje Vanden XII Beghinen, dat over de storm van minne spreekt die in ons alles opjaagt om te antwoorden aan Gods verlangen.

(Moereels.8 p.85) En Hij raakt onze geest met zijn vinger aan(25), dat is met zijn Geest, en spreekt ons toe : "Bemin Mij zoals Ik u bemin en eeuwig bemind heb". Deze stem, als een inwendig eisen, is zo geweldig om aan te voelen, dat alles opgejaagd wordt in een storm van minne, en alle krachten der ziel antwoorden en spreken onderling : "Minnen wij de grondeloze Minne, die ons eeuwig gemind heeft". Het hart opent zich met begeerten, en alle zinnelijke krachten volgen het na met gevoelige liefde tot God. De levende ziel stijgt hoger, boven zichzelf uit, met oprechte mening, met innige dankzegging en met het vergeten en versmaden van al wat de minne Gods hinderen en beletten kan. Verlicht verstand en vrije wil gaan verder met dank en lof en eerbetuiging en eerbied voor het aanschijn der eeuwige Minne.

Vanden XII Beghinen, IV, 23

En na dit korte intermezzo Vanden XII Beghinen met de storm van minne, keren we terug naar Die Gheestelike Brulocht waar we ons zullen concentreren rond enkele teksten die handelen over het gemene leven. De term gemene leven is in de tijd wat gaan veranderen in betekenis. We begrijpen het hier in zijn oorspronkelijke zin. Enerzijds een leven dat uiteindelijk gewoon of normaal is (naar de norm die bedoeld is), maar ook een gemeenschappelijk karakter heeft, omdat het eveneens aan iedereen gemeenschappelijk is, en dus iedereen normaal gezien toebehoort. Laten we luisteren wat Ruusbroec ons hierover wil leren:

(p.243) Opdat wij, boven alle gedragingen, ook deze gemeenschapszin bezitten en begeren, wat wel het hoogste is van hetgeen wij behandeld hebben, willen wij Christus tot voorbeeld nemen, die zeer gemeenschapslievend was en blijft in eeuwigheid. Hij was gezonden naar de ganse mensengemeenschap op aarde ten bate van alle mensen, die zich daartoe willen openstellen. Nochtans sprak Hijzelf, dat hij niet gezonden was dan tot (p.245) de verloren schapen van het huis van Israël (vgl. Mt. 15, 22). Dat zijn echter niet alleen de joden; maar allen die God eeuwig zullen aanschouwen, behoren tot het huis van Israël, en daarbuiten niemand. Want de joden hebben het evangelie versmaad, maar de heidenen traden binnen en ontvingen het, en zo is geheel Israël behouden, dat wil zeggen allen die voor eeuwig uitverkoren zijn.

Muziek nr6:

Tekst nr7:

Beschouw nu, hoe Christus zich voor allen gaf in oprechte trouw. Zijn innig-hoog gebed was uitvloeiend tot zijn Vader en gold allen die gered willen zijn. Christus stond voor allen open met zijn liefde, in zijn lering en vermaningen, in zijn troosten vol zachtmoedigheid, in het wegschenken met mildheid, in het vergeven met goedertierenheid en met ontferming. Zijn ziel en zijn lichaam, zijn leven en zijn dood en zijn dienst waren en zijn voor allen gemeenschappelijk bestemd. Zijn sacramenten en zijn gaven zijn allen gemeen. Christus nam nooit spijs of enig levensonderhoud tot Zich voor zijn lichaam, of Hij had daarmee het gemeen belang van alle mensen voor ogen, die behouden zullen zijn tot aan de laatste dag. Christus bezat niets als zijn persoonlijke eigendom, maar alles gemeen : lijf en ziel, Moeder en leerlingen, mantel en rok. Hij at en dronk om onzentwil; Hij leefde en stierf om onzentwil; alleen zijn pijn en zijn lijden en zijn ellende troffen Hem persoonlijk, maar het nut en het profijt ervan is voor de gemeenschap, en de heerlijkheid van zijn verdiensten zal eeuwig voor allen gemeenschappelijk zijn.
(p.245) Nu heeft Christus zijn schat en zijn bezittingen op aarde(56) nagelaten: dat zijn de zeven sacramenten en de uitwendige goederen van de heilige Kerk, waarvoor Hij Zich tot de dood ingespannen heeft, en ook dat moet voor allen gemeen zijn. En zijn dienaars, die daarvan leven, moeten ook voor allen gemeen zijn. En al degenen, die van aalmoezen leven en tot de geestelijke stand behoren, zoals geestelijken en alwie in (p.247) kloosters of kluizen leven, zouden ook voor allen gemeen moeten zijn, ten minste in hun gebeden. Bij de aanvang van de heilige Kerk en van het geloof waren pausen, bisschoppen en priesters voor allen gemeen, want zij bekeerden het volk en stichtten de heilige Kerk en ons geloof, en zij bezegelden het met hun dood en met hun bloed. Zij waren simpel en eenvoudig en zij bezaten bestendige zielevrede in de eenheid van de geest; en zij waren verlicht met goddelijke wijsheid, rijk en overvloedig mededeelzaam in trouw en in liefde tot God en tot alle mensen.

Die Gheestelike Brulocht, I, 189s

(p.253) Ten vijfden male wordt het rijk Gods aan de minnende boven alle geschapen licht in een ongemeten goddelijk licht getoond en geopenbaard, en dit moet geschieden boven rede in de gedachte(8), die zich inkeert in het overwezen Gods. Daar ontvangt hij drieërhande vrucht : een ongemeten verlichting, een onbegrijpelijke liefde en een goddelijk genieten...

Muziek nr7: (I 189) Cristus en ontfinc nie spise ochte enighe nootdorst sijns lichamen Hi en meender mede ghemeynen 30 orbore alle der menschen die behouden selen sijn tot ane den lesten dach. Cristus en hadde niet propers noch eyghens, maer alle ghemeyne : lijf ende ziele, Moeder ende discipele, mantel ende roc. Hi at ende hi dranc om onsen wille ; Hi leefde end starf om onsen wille. Sijn (I 190) pine ende sijn doghen ende sijn alinde was Hem proper ende eyghen, maer die profijt ende die nutscap die daer-ave comen es, die es ghemeyne, ende die glorie sijnre verdienten die sal eewelijc ghemeyne sijn.

Tekst nr8:

(p.253) Dat genieten is zo groot, dat God en alle heiligen en deze verheven mensen op aarde hierin verzwolgen en versmolten zijn in (p.255) een onwijze, dat is in een niet–weten en in een eeuwige(10) verlorenheid : maar in dit verzinken en in deze verlorenheid ligt de hoogste behaaglijkheid. Nu moet deze mens tevens een 'gemene' of gemeenschappelijke mens zijn en moet hij zijn gedachte bezitten zoals een koning zijn rijk: doordat de gedachte steeds nederkerende is tot alle deugden, om een volmaakte gelijkenis te dragen van de vruchtbare Eenheid van God, die zonder ophouden naar de Personen met alle gaven uitvloeiende is tot aller schepselen nood(11), en doordat deze mens tegelijk wezenlijk inhangende moet blijven met diezelfde gedachte, om door de afgrondelijke klaarheid overvormd en overbeeld te worden, gelijk de goddelijke Personen, die op elk ogenblik verwielen, d.i. zich storten, in de kolk van het grondeloze Wezen en overvloeien in genieting, al blijven zij, naar het onderscheid der Personen, eeuwig uitvloeiend en werkend in de vruchtbare natuur.
(Moereels.6 p.255) ...Maar de edele, gemeenschappelijke mens is wel de meest gelijkende; want hij vloeit uit in alle deugden, en daarin gelijkt hij op God, die uitvloeit met al zijn gaven; en hij blijft in een eeuwig genieten, en daarin is hij één met God boven alle gaven. (p.257) Dit is een verlicht 'gemene' mens in hoogste edelheid.

Dat Rijcke der Ghelieven, I, 99s

Na dat langere deel over de gemene mens bij Ruusbroec, gaan we nu eindigen met een korter stukje dat we weer nemen uit het werkje Vanden XII Beghinen. Daarin poogt onze Brabantse mystieke schrijver ons te doen begrijpen dat het schouwen niet aan bepaalde regeltjes of recepten vast zit. Het is een wijzeloos weten, waar de rede niet bij kan. Deze tekst is dan weer iets poëtischer opgesteld. De vertaling probeert recht te doen aan deze proza. Laten we luisteren naar wat dat schouwen dan wel is (of niet is).

Schouwen is een weten wijzeloos,
dat boven rede blijft altoos :
het kan tot het vlak der rede niet dalen,
en rede kan het boven zichzelf niet achterhalen.
Verlichte onwijze is een spiegel fijn,
waarin God laat stralen zijn eeuwige schijn.
Onwijze is zonder gedaante of manieren,
waarbij alle werken der rede te kort schieten.
Onwijze is God zelf niet,
maar zij is het licht, waarmee men ziet.
Die in onwijze wandelen in goddelijk licht,
ontdekken in zich een ledigheid.
Onwijze is boven rede, maar niet daarzonder.
Zij ziet de dingen zonder verwonderen;
verwonderen ligt daar ver beneden;
zonder verwonderen zijn, is schouwend leven.
Onwijze ziet, maar zij weet niet wat,
iets dat alles overtreft, noch dit noch dat.

Vanden XII Beghinen, IV, 13

Muziek nr8:

Tekst nr9:

Jawel, het zijn teksten die vragen om stilletjes te worden gelezen en herlezen. Ons hart moet erdoor geraakt worden in eerste instantie. Daarna kan ons verstand proberen bij te benen, zover het kan. We moeten dus tijd nemen om die woorden in ons hart te laten doordringen, erin te verzinken om er dan voor altijd in verankerd te zijn.

Vandaag zijn we begonnen met het gedichtje Granum sinapis dat vanuit het milieu van Meester Eckhart voortgekomen is. Vervolgens hebben we Ruusbroec zich horen verzetten tegen het illuminisme van enkele van zijn tijdgenoten. We leerden dat: Eenheid van hart een band is die lichaam en ziel, hart en zin en alle uit– en inwendige krachten samentrekt en omvat in eenheid van minne. En eveneens dat gevoelige of innige liefde alle schepselen los laat, althans wat het behagen er in, niet wat het noodzakelijk gebruik, betreft. Jawel, er is zelfs sprake dat alles opgejaagd wordt in een storm van minne, als de stem van Gods Geest ons vraagt: "Bemin Mij zoals Ik u bemin en eeuwig bemind heb". De storm van minne die dat in ons opwekt probeert gevolg te geven aan deze zo geweldige inwendige eis.

De Zalige Jan van Ruusbroec zegt ons dat het hoogste dat hij behandeld heeft, de gemeenschapszin is. Die gemeenschapszin moeten wij bezitten en begeren die Jezus bezielde. Hij die zeer gemeenschapslievend was, en het ook blijft in eeuwigheid, Hij was gezonden naar de ganse mensengemeenschap op aarde ten bate van alle mensen, die zich daartoe willen openstellen.

Christus bezat niets als zijn persoonlijke eigendom, maar alles gemeen : lijf en ziel, Moeder en leerlingen, mantel en rok. Hij at en dronk om onzentwil; Hij leefde en stierf om onzentwil; alleen zijn pijn en zijn lijden en zijn ellende troffen Hem persoonlijk, maar het nut en het profijt ervan is voor de gemeenschap, en de heerlijkheid van zijn verdiensten zal eeuwig voor allen gemeenschappelijk zijn.

De edele, gemeenschappelijke mens die leeft naar het voorbeeld van Christus, vloeit uit in alle deugden, en daarin gelijkt hij op God, die uitvloeit met al zijn gaven; en hij blijft in een eeuwig genieten, en daarin is hij één met God boven alle gaven. (p.257) Dit is een verlicht 'gemene' mens in hoogste edelheid.

Maar laten we nooit vergeten dat: Schouwen een weten is dat boven rede blijft altoos! het kan tot het vlak der rede niet dalen, en rede kan het boven zichzelf niet achterhalen. Maar verlichte onwijze is een spiegel fijn, waarin God laat stralen zijn eeuwige schijn...

We dachten met deze uitzending deze bijzondere bijdrage over Ruusbroec de Wonderbare af te kunnen ronden, maar we zullen zeker nog een bijdrage hieraan moeten toevoegen. Volgende keer gaan we dus pas kunnen afsluiten met de verzameling kernteksten van Jan van Ruusbroec.

De tekst die we hebben voorgelezen uit Ruusbroecs werk werden door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar is een poging om die teksten dieper bij ons te laten binnendringen in ons verstand, maar eveneens en voornamelijk in ons hart.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, dan kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen. U kan ook steeds een van de laatste uitzendingen via internet herbeluisteren in een ietwat ingekorte versie.

Muziek nr9:

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een paar kernteksten uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec. Die teksten willen ons helpen om de onderwerpen die de mystieke auteurs aanraken in het algemeen beter te leren begrijpen.