Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
Tekst nr1:
Welkom beste luisteraars. Vorige keer hebben we weer sterke teksten van Ruusbroec de wonderbare ter hand genomen. Hopelijk is dat niet te zwaar uitgevallen voor de meeste luisteraars. Toch is er hier en daar wellicht iets van die woordenvloed in goede aarde gevallen. Met die teksten hebben we wel heel diepe dingen aangeraakt. Een dieper doordringen in de specifieke woordenschat die Ruusbroec gebruikt vraagt wel een grotere toeleg. Toch wordt het allemaal heel evident als we er inkomen. We zien hierdoor stilaan klaarder in het wondere leven van de spirituele mens, en in zijn/of/haar levensweg.
In deze uitzending zullen we verder lezen uit Die Gheestelike Brulocht van Jan van Ruusbroec. Er valt uiteraard heel veel te zeggen over de teksten die we lezen, maar toch willen we voorrang geven aan de teksten van de auteur zelf, en onze commentaar daar heel dicht bij laten aansluiten. Het is zoals jullie wel merken geen eenvoudige zaak om over het inwendig leven te spreken. Een leven dat verborgen is voor de uitwendige materialistische kant van het leven vraagt meer toeleg en woorden dan we wel denken om te helpen aanvoelen waar het over gaat.
In de komende edities beloofden we dat we opnieuw enkele teksten van de Zalige Jan van Ruusbroec terhand zouden nemen. Teksten die ons moeten helpen om dieper door te dringen in specifieke woordenschat die Ruusbroec gebruikt, en daardoor een beter idee te krijgen van zijn denken rond de spirituele mens, en zijn/of/haar levensweg. Deze keer gaan we verder met een aantal kernteksten ter hand te nemen van onze plaatselijke mystieker, Jan van Ruusbroec. Hij spreekt ons over Gods verhevenheid en over zijn grondeloze natuur, over hoe de eenheid van het goddelijk Wezen een eeuwige aantrekkingskracht bezit en over onze overwezenlijke zaligheid.
Tijdens de muzikale pauze hernemen we een tekstje van de vorige editie, waarin de de Zalige Jan van Ruusbroec het heeft over de derde manier, waarop de Heer komt, namelijk inwendig komt Hij dan bij ons.
Muziek nr1: Die derde maniere der inwindigher toecomst ons Heeren, dat es een 30 inwindich rueren ochte gherinen IN EENICHEIT DES GHEESTS, daer die overste crachte der zielen in zijn ende ute vloyen, ende wederkeeren ende altoes eenich in bliven overmids bant van minnen ende eenicheit des gheests van natueren.
Tekst nr2:
Vorige editie eindigden we met een belangrijk besluit. Namelijk dat God zonder middel - zonder enige bemiddeling van wat dan ook - schouwen in zijn goddelijk Licht, een uitzuivering van de mens vraagt in al zijn facetten. Uitwendig en inwendig mag er geen enkele hinder bestaan. Zelfs onze eigen werken en deugdenbeoefening mogen geen hinder gaan vormen om God te kunnen schouwen in zijn goddelijk Licht.
Nu gaan we een stukje lezen waarin Ruusbroec handelt over de goddelijke onpeilbaarheid, waarin de gezuiverde mens met verklaarde ogen kan genieten van die grondeloosheid van God. We zullen die tekst eveneens in het Middelnederlands laten horen in een van de volgende muzikale pauzes om de prachtige literaire klanken ervan te laten weerklinken.
| (Moereels.5 p.225) Daartoe moet hij de verklaarde ogen van zijn verlichte rede opheffen naar (I 181) de verstandelijke waarheid, om op schepsellijke wijze(48) Gods verheven natuur en de grondeloze eigenschappen in God te over(Moereels.5 p.227)wegen en te beschouwen. Want bij de grondeloze natuur behoren grondeloze deugden en werken. Hij moet de verheven natuur der Godheid beschouwen als een loutere eenvuldigheid, een ontoegankelijke hoogte en een afgrondelijke diepte, een onomvaambare breedte en een eindeloze lengte, een duistere stilheid en een uitgestrekte woestijn, aller heiligen rust in de eenheid(49), een gemeenschappelijk voorwerp van genieten voor Zichzelf en voor alle heiligen in eeuwigheid. |
Die Gheestelike Brulocht, I, 181s
De schepselijke wijze waarop we met de verkaarde ogen van onze verlichte rede moeten opheffen naar de verstandelijke waarheid, gaat zover als dat het geschapen licht reiken kan met behulp van onze geloofskennis. We zouden kunnen vermoeden dat dit niet ver gaat, maar het stelt ons toch in staat Gods verheven en grondeloze natuur enigszins te kunnen ervaren en beschouwen.
Wat de uitdrukking een loutere eenvuldigheid betreft: nu zouden we gebruik maken van het woordje eenvoud, maar het spreekt in het Middelnederlands van het "één zijn in wezen", eveneens van de "oprechtheid" en "zuiverheid" als het over personen gaat. De verheven natuur van de Godheid zullen we dus beschouwen als loutere oprechtheid en zuiverheid, als eenheid in wezen, of gewoon als loutere eenvuldigheid. Maar die eenvoud overstijgt toch alle dimenties die wij kennen: ze is ontoegankelijk hoog en afgrondelijk diep, onomvatbaar breed en eindeloos lang, ... maar toch betekent die eenheid (van God zelf, en in zekere zin ook met God) rust voor alle heiligen, en een gemeenschappelijk voorwerp van genieten.
Muziek nr2:
Tekst nr3:
We springen nu een heel stuk verder in het werk van de Gheestelike Brulocht, en gaan kijken naar de aantrekkelijkheid van de Goddelijke eenheid en van de eeuwige liefdesdynamiek. Luisteren we naar een eerste paragraafje over dat onderwerp:
| (Moereels.5 p.301) En omdat hij gelijkvormigheid bezit en boven alle gaven God eenvuldig zoekt en mint, neemt hij geen genoegen met deze gelijkvormigheid en die geschapen klaarheid. Omdat hij zowel natuurlijk als bovennatuurlijk een grondneigen bezit naar een grondeloos wezen, waaruit hij gevloten is, en de eenheid van het goddelijk Wezen een eeuwige aantrekkingskracht bezit, die alle gelijkvormigheid in haar eenheid trekt, daarom zinkt de geest weg in een genieten en vervliet in God als in zijn eeuwige Rust. |
Die Gheestelike Brulocht, I, 216
Omdat we op God gelijken (naar zijn beeld en gelijkenis zijn geschapen) en boven alles wat God ons geeft, in alle eenvoud (zonder verdeeld hart) God zoeken en beminnen, nemen we als Godzoekende mensen geen genoegen met die gelijkvormigheid, maar worden we getrokken naar de volle eenheid met God. Die aantrekking zit in ons als een grondneiging die zowel natuurlijk als bovennatuurlijk in ons werkzaam is.
Een hele lange theologische discussie die nog niet helemaal is geluwd, over de vraag of onze roeping nu van nature in ons mensen aanwezig is, of door het geloof op een (van de natuur gescheiden) bovennatuurlijke roeping stoelt, gaat Ruusbroec hier in een adem samenbrengen. De roeping van de mens om met God verbonden te zijn is reeds van nature als een grondneiging in ons hart gebakken, maar ze komt verder tot ontplooing en perfectie door Gods genadehandelen in een bovennatuurlijke grondneiging. Wij zijn uit God voortgekomen, uit Hem zijn we gevloeid als de vloed van de zee. Vandaar dat we ook die aantrekking bezitten om in Hem terug te vloeien zoals we zien bij ebben en vloed, maar ook bij elke golfslag aan het strand. Het is die eeuwige aantrekkingskracht die in ons streeft naar die eenheid met God, over alle gelijkvormigheid en geschapen klaarheid heen.
Het beeld van ebbe en vloed komt heel dikwijls voor in de literatuur van Ruusbroec. Het uitvloeien van Gods liefde en het terugvloeien van die liefde nadat ze bij ons haar werk heeft verricht, en vruchten heeft voortgebracht. Als gevolg hiervan kan onze geest genieten bij dat terugvloeien in God als in een eeuwige Rust. Het is een beweging die we eigenlijk bij elke ademhaling kunnen ervaren als we het diep overwegen. Bij het inademen, ontvangen we Gods levensadem, en als we uitademen bevelen we ons toe aan Hem in volle overgave en uit dank voor dat leven dat we uit zijn hand ontvangen. Dat vertrouwen en die overgave aan Gods voozienigheid geeft een diepe rust.
Muziek nr3: Ende hi sal sine verclaerde oghen op-heffen in (I 181) verstandigher waerheit met verlichter redenen, ende merken ende aensien, creatuerlijcker wijs, die hoghe natuere Gods ende die grondelose eyghenscape die in Gode sijn. Want eere grondeloser natueren behoren grondelose duechde ende werken. 5 Die hoghe natuere der Godheit wert ghemerket ende aengesien hoe si es Simpelheyt ende Eenvoldicheit, ontoegancleke Hoochde ende afgrondighe Diepheit ; ombegripelijcke Breyde ende eewighe Lancheit ; eene duystere Stille ende eene welde Woestine ; alre heilighen 10 Raste in eewicheit, een ghemeyne Ghebruken sijns selfs ende alre heylighen in eewicheit.
Tekst nr4:
In het volgende stukje krijgen we een dieper uitspitten van die beweging van ebbe en vloed, of van die ademhaling met Gods levensadem te horen.
| (Moereels.5 p.235) Let nu wel op. De mens moet uitgaan en God beschouwen in zijn heerlijkheid met al zijn heiligen, en hij moet aanzien het rijke, milde uitvloeien van God met glorie en met Zichzelf en met onbegrijpelijke weelde in alle heiligen tot aller geesten lust en vreugde; alsook hoe zij met zichzelf en met al wat zij ontvangen en volbracht mochten hebben, in diezelfde rijke Eenheid, waaruit alle weelde voortkomt, terugvloeien. Dit uitvloeien van God eist een ononderbroken wedervloeien; want God is een vloeiende, ebbende zee, die zonder ophouden in al zijn beminden uitvloeit naar ieders nood en waardigheid, en die steeds allen, die in de hemel en op aarde begiftigd zijn, doet terugebben met al wat zij hebben en vermogen. En van sommigen eist Hij meer dan zij volbrengen kunnen; want Hij toont Zich bovenmate rijk en mild en grondeloos goed, en bij dit tonen zelf eist Hij minne en eer naar zijn waardigheid terug. God immers wil door ons overeenkomstig zijn edelheid bemind worden, maar hierin schieten alle geesten te kort, en daardoor komt het, dat hun minne zonder wijze wordt en zonder mate, omdat zij niet weten hoe dit te doen of wat daartoe aan te vangen, daar aller geesten minne begrensd is. En zo moet minne altoos van het begin af herbeginnen, opdat God naar zijn eis en naar hun begeerte zou bemind worden. Daarom ook komen alle geesten voortdurend bijeen en vormen één brandende vlam van minne om toch maar de opgave tot voltooiing te brengen : dat God bemind worde naar zijn edelheid. Wel toont rede klaar, dat dit voor schepse(Moereels.5 p.237)len onmogelijk is, maar minne wil immer minne volvoeren, of versmelten en verbranden en te niet gaan in haar falen. |
Die Gheestelike Brulocht, I, 185
Muziek nr4:
Tekst nr5:
Alle geesten schieten tekort in het beantwoorden van de liefde van God! Hij wil immers bemind worden overeenkomstig zijn edelheid. Het is hier dan dat de minne van dezen die dat tekort aanvoelen, zonder wijze wordt en zonder mate. In het Middelnederlands staat er: "ende aldus wert de minne sonder wise ende zonder maniere". Zonder wijze van handelen of zonder manier van doen zouden we nu eerder zeggen.
In de 27e editie van binnenskamers hebben we voor de uitdrukking "sonder wise" of "wiseloos", verwezen naar het "sine modo" van Sint Bernardus in zijn befaamd traktaat: De diligendo Deo: "De oorzaak waarvoor God bemind moet worden is God zelf ! en wat de wijze betreft (de modus): hem beminnen zonder wijze (sine modo)." Men heeft deze sine modo vaak vertaald als "zonder maat", wat op zich niet verkeerd is, maar deze afwezigheid van maat is vooreerst een afwezigheid van wijze. De ziel zinkt niet weg in een mentale mistbank, maar vordert voortaan in het geloof, enkel naar het goede believen van God. Oefeningen zonder wijzen (sine modo), is een eenvoudige liefde zonder grond, of ook nog het leven boven rede. Dat gaat ons verstand dus te boven, maar dat mag ons niet verlammen. Van sommigen eist Hij meer dan zij volbrengen kunnen schrijft Ruusbroec, vandaar dat dan het bovennatuurlijke zijn rol zal moeten spelen. God komt ons met andere woorden tegemoet met zijn genade om hieraan te kunnen beantwoorden. Toch blijft de mens ook dan bewust dat hij zelf tekort schiet, en dat het allemaal gratische gave is, of genade die van God komt en ons in staat stelt Hem op onze beurt te beminnen.
Een ander aspect van dit tekort schieten van ons antwoord aan God komt hier eveneens aan bod: Alle geesten (komen) voortdurend bijeen en vormen één brandende vlam van minne om toch maar de opgave tot voltooiing te brengen, om God naar zijn edelheid te beminnen. Dat de rede hier niet bij kan en dit als onmogelijk bestempeld, sluit niet uit dat de minne de minne wil volvoeren. Eindeloze liefde kunnen we niet geven, maar wel alles wat we kunnen en hebben, tot het uiterste.
Muziek nr5: (I, 185) Dit vloeyen Gods eyschet altoes een wedervloeyen ; want God 10 es eene vloeyende ebbende zee die zonder onderlaet vloeyt in alle sine gheminde, na elcs behoeven ende weerde. Ende Hi es weder-ebbende alle die ghegavet sijn in hemel ende in eerde met al dat si hebben ende vermoghen. Ende selcken eyschet Hi meer daan si gheleysten connen. Want Hi toent Hem soe 15 rijcke ende soe milde, ende soe grondeloes goet, ende in desen toene eyschet hi minne ende eere na sijn weerde.
Tekst nr6:
We nemen nu een tekstje ter hand van een ander werk van Ruusbroec. Dat Boecsken der Verclaringhe, dat hij schreef toen hij te weten is gekomen dat zijn eerste werk Dat Rijcke der Ghelieven werd gecopieerd en doorgegeven, wat nooit zijn bedoeling moet zijn geweest. Hij begon te beseffen dat niet alleen deze gewone mensen er echt niet bij konden om te begrijpen "hoeveel zoetheid die mensen voelen die Gods geest mogen smaken", maar dat zijn leer blijkbaar niet zo evident was, zelfs niet voor de klerus van die tijd.
Een kleine anekdote hierrond die in de editie nr. 24 reeds werd aangehaald wil ik nu toch even hernemen. De Kartuizers van Herne hadden Ruusbroec uitgenodigd omdat ze zijn eerste werk "Het rijcke der gehlieven" in handen hadden gekregen, en er toch wel bij vele passages heel veel vragen hadden. Ruusbroec zelf was verwonderd dat zij dit boek in hun bezit hadden. Het was inderdaad heimelijk aan de Kartuizers doorgespeeld door een priester die Ruusbroecs notarius of secretaris was geweest. Toen Ruusbroec zei dat hij de bekendmaking en verspreiding ervan betreurde, wilden de Kartuizers hem hun tekst teruggeven. Maar Ruusbroec aanvaardde dit niet, en beloofde een ander boek te schijven om de moeilijke teksten te verklaren, en om zijn mening te verduidelijken. Dit gebeurde in het "Boecsken der verclaringhe".
Ook vandaag blijft deze literatuur van Ruusbroec veel mensen aanspreken. Zijn kennis blijft velen verbazen omdat er zoveel wijsheid in vervat zit die niet zo maar toegankelijk is voor ons verstand. Eveneens komt zijn werk ons misschien nog veel minder makkelijk over dan dat voor zijn tijdsgenoten het geval was, gezien een hele tijds- en cultuurskloof bestaat tussen Ruusbroec en ons.
We raakten aan de genade in de vorige stukjes die we hebben bestudeerd, en nu gaan we in die realiteit een stukje verder doordringen:
| (Moereels.7 p.129) Daarom moet de mens langs dit lichamelijk gevoelen bijwijlen overstijgen tot een geestelijk gevoelen(19), dat redelijk is; en langs dit geestelijk gevoelen overstijgen in een goddelijk gevoelen, dat boven rede is : en langs dit goddelijk gevoelen zichzelf ontzinken in een onbeweeglijk zalig gevoelen. Dàt gevoelen is onze overwezenlijke zaligheid, die een genieten is van God en al zijn gelieven. Deze zaligheid is de duistere Stilheid, die altijd ledig staat. Zij is Gode wezenlijk en voor alle schepselen boven- of overwezenlijk(20). |
Dat Boecsken der Verclaringhe, III,288s
Ruusbroec spreekt van een lichamelijk, een geestelijk gevoelen en een goddelijk gevoelen. Het geestelijk gevoelen is redelijk, maar het goddelijke gevoelen is boven rede. Dat gevoel van zichzelf te ontzinken is een onbeweeglijk zalig gevoel, en een duistere stilheid die altijd ledig staat. Hij probeert met heel wat woorden tot het besef te komen van wat het eigenlijk is waarover hij praat, zonder ooit de volledige realiteit ervan te kunnen dekken.
Deze zaligheid die een genieten is van God en van al zijn geliefden behoort God wezenlijk toe, maar is voor ons een boven- of overwezenlijke zaligheid.
Ruusbroec is de eerste in het Noorden om deze terminologie van over- of bovenwezenlijk (overweselijc) te begruiken. Hij bedoelt hiermee eenvoudigweg een beschrijving van een ervaring of van een zielstoestand die boven het wezen van de mens uitgaat. Maar heel snel zal deze terminologie de mensen in verwarring brengen. Vooral door Hendrik Herp, die een van de eerste grote verspreiders is van de literatuur van Ruusbroec, zal deze terminologie in zijn eigen werken eveneens gaan gebruiken in de zin van "wezenlijke" en "overwezenlijke eenheid". Daarmee gebruikt hij die veeleer als technische termen om een bepaalde graad of mystieke staat uit te drukken. Daarbij zal men deze termen later (vooral in de latijnse en andere vertalingen) verdacht en gevaarlijk vinden, en zelfs verbieden.
Maar als gewaarschuwd mens moeten we deze termen geenszins filosofisch of thomistisch gaan begrijpen, maar als een zoektocht naar woorden om beter te begrijpen wat we kunnen ervaren van God, en in welke mate die ervaring ons eigen is of ons gegeven wordt.
Muziek nr6:
Tekst nr7:
Laten we verder luisteren wat Ruusbroec een beetje verder van deze innige eenheid en verbondenheid met God te vertellen heeft:
| (Moereels.7 p.137) En daarom voelt het schepsel in zijn innige beschouwing onderscheid tussen zich en God. En al is die ening zonder middel, de menigvuldige werken, die God verricht in de hemel en op aarde, blijven voor de geest verborgen. Want, al geeft Hij Zich zoals Hij is, met onderscheidenheid, Hij geeft Zich in het wezen der ziel, waar de vermogens der ziel verenkelvoudigd zijn(32) en de overvorming van God eenvuldigerwijs ondergaan: daar is het al vol en overvloedig, want de geest gevoelt zich als één waarheid en één rijkdom en één eenheid met God. En toch bestaat daar nog een wezenlijk voorwaarts–neigen. En dat is een wezenlijk(33) onderscheid tussen het wezen der ziel en het Wezen van God. En dat is het verhevenste onderscheid dat men kan beseffen. |
Ruusbroec is zich zeer goed bewust van de serieuze vragen die gesteld worden en over de kritiek die sommige mensen uiten i.v.m. de eenheid of ening met God. Gezien God schepper is en de mens een schepsel, is er een enorm verschil tussen God en de mens. Een eenheid kan dus niet bestaan als men dit verschil als een onoverbrugbare kloof ziet vanuit ons perspectief. Het is over dit onderwerp trouwens dat Meester Eckhart zich eveneens heeft moeten verantwoorden omdat hij het verschil tussen beiden niet of onvoldoende belichtte. Maar in deze tekst gaat Ruusbroec wel heel duidelijk het onderscheid onderlijnen dat er bestaat, en dat we eveneens kunnen merken in onze innige beschouwing.
Vervolgens wordt de ening zonder middel aangehaald. Zonder middel betekent dat het om een rechtstreekse ening gaat, waar geen scherm, bemiddeling of bemiddelaar tussen staat. Toch is het een ening met onderscheidenheid. In deze enorme eenheid blijven de menigvuldige werken die God verricht voor de geest van de mens verborgen. Ook daar is dus een onderscheid tussen God en het schepsel merkbaar. De geest gevoelt zich als één waarheid en één rijkdom en één eenheid met God, en toch is er een wezenlijk onderscheid tussen het wezen van de ziel en het Wezen van God...
Na de volgende muzikale pauze legt Ruusbroec de eenheid zonder onderscheid uit. Maar laten we in deze muzikale pauze een stukje in het Middelnederlands beluisteren van de tekst die we daarna in het hedendaags Nederlands zullen herbeluisteren.
Muziek nr7: Siet, daer es 5 de Salicheit alsoe eenvuldich ende alsoe wiseloes, dat daer in vergheet al weselijc staren, neyghen ende onderscheet der creatueren. Want alle verhavene gheeste versmelten ende vernieuten, overmids ghebruken, in Gods wesen, dat alre wesen Overwesen is. Daer ontvallen si hem-selven in 10 eene verlorenheit, ende in onwetene sonder grond. Daer es alle claerheit wederboecht in demsterheit, daer de drie Persone wiken der weselijcker Eenicheit, ende sonder onderscheet ghebruken weselijcker Salicheit.
Tekst nr8:
| (Moereels.7 p.139) En hierna volgt de eenheid zonder onderscheid of de eenheid zonder differentie. |
| (Moereels.7 p.139) En hierdoor hebben de verlichte mensen in zich bevonden een wezenlijk instaren boven de rede en zonder de rede, en een genietend neigen dat alle wijzen(35) en alle wezens voorbijgaat en zichzelf laat verzinken in een wijzeloze afgrond van grondeloze zaligheid, waar de Drieheid der goddelijke Personen hun natuur ervaren in wezenlijke Eenheid. Zie dààr is de zaligheid zo eenvuldig en wijzeloos, dat daarin alle wezenlijk staren, neigen en onderscheid der schepselen verdwijnt(36). Want alle verheven geesten versmelten en gaan te niet(37), door het genieten, in Gods Wezen, dat aller wezens Overwezen is : daar ontvallen zij aan zichzelf in een verlorenheid en in een niet–weten zonder grond; daar is alle klaarheid omgebogen tot duisternis, waar de drie Personen wijken voor de wezenlijke Eenheid, en, zonder onderscheid, wezenlijke zaligheid genieten. Deze zaligheid is God alleen wezenlijk, en voor alle geesten over– of bovenwezenlijk... |
Dat de zaligheid zo eenvuldig en wijzeloos (is), dat daarin alle wezenlijk staren, neigen en onderscheid der schepselen verdwijnt, wil niet zeggen dat de onderscheiden genietende subjecten zouden ophouden te bestaan in hun onderscheidenheid. Het is veeleer omdat de genietende ervaring ongedeeld wordt. Luisteren we nog even verder:
| (Moereels.7 p.141) Want daar(40) zijn al de verheven geesten in hun Overwezen één genieten en één zaligheid met God zonder onderscheid, en daar is de zaligheid zo enkelvoudig, dat daar nooit onderscheid kan komen. |
Dat Boecsken der Verclaringhe, III, 293s
Enige bladzijden verder, bijna aan het einde van Dat Boecsken der Verclaringhe, krijgen we nog een volgend afsluitend stukje tekst over dit onderwerp dat we willen beluisteren:
| (Moereels.7 p.145) Want in het Overwezen eindigen al onze wegen. Willen wij met God de hoge wegen der Minne gaan, dan zullen wij met Hem rusten, eeuwig, zonder einde. En aldus zullen wij eeuwig (Moereels.7 p.147) naar God toegaan, en in God binnengaan, en in Hem rusten(47). |
Dat Boecsken der Verclaringhe, III, 297
Muziek nr8:
Tekst nr9:
Want in het Overwezen eindigen al onze wegen. De hoge wegen der Minne zullen ons de eeuwige rust met Hem laten binnengaan! Wat een mooie noot om deze editie van Binnenskamers op te eindigen.
Ziezo, we hebben deze keer weer zeer diepe teksten aangepakt, maar hopelijk hebben ze onze harten aangeraakt. Een dieper doordringen in de specifieke woordenschat die Ruusbroec gebruikt vraagt een grotere toeleg. Toch wordt het heel evident als we er inkomen.
Vandaag hebben we naast een stukje uit Die Gheestelike Brulocht van Jan van Ruusbroec eveneens een hele brok uit Dat Boecsken der Verclaringhe gelezen. Er valt uiteraard nog heel veel over te zeggen want die teksten staan bol van betekenis. Toch willen we voorrang geven aan de teksten van de auteur zelf, en onze commentaar heel dicht bij die tekst laten aansluiten. We hebben vandaag wederom enkele zeer fundamentele aspecten van zijn leer aangeraakt. Het is zoals jullie wel hebben gemerkt geen eenvoudige zaak om over het inwendig leven te spreken. Een leven dat verborgen is voor de uitwendige materialistische kant van het leven vraagt meer toeleg en woorden om te helpen aanvoelen waar het over gaat, maar het vraagt vooral naar het zelf te beleven. Daarom ook bezitten we diep in ons (zoals we het in het begin van deze uitzending hoorden: zowel een natuurlijk als bovennatuurlijk grondneigen naar een grondeloos wezen, waaruit we gevloten zijn, en de eenheid van het goddelijk Wezen bezit een eeuwige aantrekkingskracht, die alle gelijkvormigheid in haar eenheid trekt, daarom zinkt de geest weg in een genieten en vervliet in God als in zijn eeuwige Rust.
Volgende keer gaan we verder met een aantal kernteksten ter hand te nemen van onze plaatselijke mystieker, Jan van Ruusbroec. We zullen wederom teksten uitkiezen die ons zijn visie beter zullen leren begrijpen.
De tekst die we hebben voorgelezen uit "Die Gheestelike Brulocht" werden door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar is een poging om die teksten dieper bij ons te laten binnendringen in ons verstand, maar eveneens en voornamelijk in ons hart.
Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, dan kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen. U kan ook steeds een van de laatste uitzendingen via internet herbeluisteren in een ietwat ingekorte versie.
Muziek nr9:
_____________
U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een paar kernteksten uit de geschriften van de zalige Jan van Ruusbroec. Hierbij helpen die teksten ons om de mystieke teksten (specifiek bij hem, maar ook) in het algemeen beter te begrijpen.