Binnenskamers

Achtendertigste editie
BIDDEN... bij de heiligen in de leer - Het huis op orde zetten - Aflevering 3

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraars. In deze uitzending gaan we verder met de vraag wat ons gebed als christen eigenlijk wel is..., en hiervoor gaan we in deze uitzending bij de Heiligen in de leer. Om over het gebed te spreken gaan we uiteraard best bij ervaringsdeskundigen ons licht opsteken. Zij kunnen ons het best inlichten over wat het gebed omvat. Zelf zoeken ze veelal naar woorden om het onzegbare onder woorden te brengen. We moeten dus geduld hebben en aandachtig luisteren om stilaan meer inzicht te krijgen in datgene dat ons verstand voor een groot deel te boven gaat.

Als we het woordje heilig gebruiken, dan is dat een relatief begrip. Enerzijds wordt het gebruikt voor de mensen die na hun dood heilig verklaard werden door de Kerk. Toch kan het ruimer gebruikt worden. Sint-Paulus richt zich bijvoorbeeld in zijn brieven tot de heiligen van de gemeentes waaraan hij de brieven richt. Ze waren nog niet heilig verklaard en de meesten onder hen zijn ook nooit heilig verklaard geweest, maar de Apostel Paulus richt zich toch tot hen met deze aanspreektitel. Hoe moeten we zulk een manier van spreken interpreteren? Heel moeilijk is dat niet, we zijn allen geroepen tot heiligheid! en in de mate dat we dat echt willen nastreven, geeft God ons daartoe de genade.

Na een kleine muzikale pauze vervolgen we onze zoektocht naar wat een gebedsleven inhoudt. Het bidden staat namelijk centraal in een gezond Christelijk leven. Het is verbonden blijven met de bron van het leven, de adem van het leven inademen zodat Zijn scheppend en herscheppend werk in en door ons mag gerealiseerd worden.

Muziek nr1: Wie een gebedsleven aanvangt, moet zich bewust zijn dat hij daarmee op een ondankbare grond geheel bedekt met onkruid, het onderneemt om een tuin aan te leggen waarin de Heer zijn welbehagen vindt. Het is Zijn eigen Majesteit die het onkruid uittrekt, en die de goede gewassen moet planten.

Tekst nr2:

We gaan een stapje verder zetten, en we laten ons vooral inspireren door een stukje uit het Hooglied. Een boek dat in de Bijbel staat, en dat heel mooi het liefdeverlangen uitdrukt in de mens.

"Ik hoor mijn welbeminde die komt..." (Hgl. 2,8)

Het kan wellicht vreemd overkomen dat een boek als het Hooglied in de Bijbel is beland, gezien het eerder een liefdesroman schijnt te zijn. Toch is er geoordeeld geweest dat het een geïnspireerd document was.

Tijdens deze uitzendingen gaan we telkens twee soorten teksten ter hand nemen. Eerst een aantal teksten die ons helpen om te verstaan waar we mee bezig zijn, en daarna teksten ons helpen om tot bezinnen te komen.

Laten we proberen goed te begrijpen dat het bidden centraal staat in een Christelijk leven. Het gebed is gewoonweg een voorwaarde voor de komst van Jezus Christus in ons menselijk bestaan, zowel vroeger, vandaag als in de toekomst. Het is om een relatie met ons te hebben dat God ons geschapen heeft en dat Hij mens geworden is: om namelijk deze liefdesontmoeting mogelijk te maken tussen Hem en ons:

Ik hoor mijn Welbeminde die komt: Hij nadert, springend over de bergen, huppelend over de heuvels. Hij gelijkt op een gazel, op een jong hert. Hij is daar achter de muur, en Hij kijkt door het raam. Ik hoor de stem van mijn welbeminde die me zegt: "Sta op mijn welbeminde, kom, want de winter is vergangen, de regens zijn voorbij, ze zijn verdwenen. De bloemen vertonen zich op onze aarde..."

Hooglied, 2, 8-12

Muziek nr2:

Tekst nr3:

Deze tekst uit het Hooglied zal verklaard worden door de hele Christelijke traditie om de komst van God op te roepen in de mens die aan het bidden is. Zowel om het plan van God in vervulling te laten gaan, om ons leven te delen (de hele liturgie van de Advent bijvoorbeeld, herneemt het thema van de huppelende Messias en Bruid die aankomt), en om ons te herstellen tot het paradijselijk geluk dat we verloren zijn door de zonde ("de winter is vergangen, de bloemen vertonen zich op onze aarde..."). Uiteraard, verblijft God van alle tijden in het diepste geheim van onze ziel. Maar door het gebed begint hij ons te overmannen, krijgt Hij meer en meer vorm in ons. Zijn verborgen aanwezigheid wordt een feest, deze van de verloving van God en de mens. Anders gezegd: in het gebed is het de menswording van Jezus die zich voortzet, en dit samen met onze vergoddelijking.

Onze Heer zei: "Gaan jullie maar naar het feest; ik ga nog niet, omdat de tijd voor mij nog niet rijp is" (Joh. 7,8).
Wat is dat feest dan wel waarnaar onze Heer ons op weg zendt en waarvoor de tijd steeds rijp is? Het meest verheven en het meest waarachtige feest, het ultieme feest, het is het feest van het eeuwig leven, d.w.z. het eeuwige gelukzalige feest waar we werkelijk voor God zullen zijn. Dat kunnen we hier beneden niet meemaken, maar het feest dat we wel kunnen beleven is een voorsmaak daarvan. Het is de ervaring van de aanwezigheid van God in de geest door een innerlijk genieten dat ons gegeven wordt door een heel intiem gevoel. Deze tijd die steeds de onze is, is de tijd van het zoeken naar God, en van het gevoel van Gods aanwezigheid in al onze werken, in heel ons leven, onze wil en onze liefde. Aldus moeten we ons oprichten boven onszelf en boven al wat niet God zelf is, om enkel en uitsluitend te verlangen naar Hem, in grote zuiverheid zonder iets anders. Deze tijd is van elk moment.
... God is daar steeds aanwezig. Ja zelfs als we het niet voelen is Hij in het geheim binnengekomen voor het feest. Daar waar God is, daar is het waarachtig een feestdag. Hij kan zo een gelegenheid niet aan zich voorbij laten gaan, noch zich onthouden van daar te zijn waar een rechtvaardige bede beroep op Hem doet, noch waar men enkel Hem zoekt; daar moet Hij noodzakelijk aanwezig zijn. Hij is er misschien wel op een verborgen manier, maar Hij is er.

Jean Tauler, Preek XII,

Muziek nr3: Ik hoor mijn Welbeminde die komt: Hij nadert, springend over de bergen, huppelend over de heuvels. Hij gelijkt op een gazel, op een jong hert. Hij is daar achter de muur, en Hij kijkt door het raam. Ik hoor de stem van mijn welbeminde die me zegt: "Sta op mijn welbeminde, kom, want de winter is vergangen, de regens zijn voorbij, ze zijn verdwenen. De bloemen vertonen zich op onze aarde..."

Tekst nr4:

Twee woorden uit deze tekst moeten worden uitgelegd:
het gevoel is hier geen sentimentele gevoelsmatige indruk, maar een zekerheid dat God daar is, zonder dewelke we niet zouden beginnen bidden zijn.

Wat de innerlijke genieting verbonden met dat gevoel betreft, onderlijnt ze het aspect van een geheim geluk, dat het geluk van het hiernamaals anticipeert. Wat een ander thema is dat we terugvinden in de liturgie van de Advent, en dat uitmondt op de vreugde van Kerstmis.

Tauler becommentarieert voor de Dominicanessen van Strasburg de incognito opgang van Jezus naar Jeruzalem voor het feest van de tabernakels, beeld van de verborgen komst van Jezus in de ziel: God komt bij ons binnen langs het toppunt van de ziel (zoals de Tempel op het hoogste punt van Jeruzalem stond), boven elke gewaarwording (ziehier waarom "we het niet voelen"). Het is van daaruit dat Hij ons tot zich roept, en wanneer wij opklimmen tot die tempel van de ziel (ziehier het bidden), komt de ontmoeting tot stand, vormt Hij ons om (transformeren) in hemzelf, en ter zelfder tijd, vormt Hij zichzelf om in ons.

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Waarom bidden we dan? Om Christus te ontvangen (of ook om Hem te aanvaarden of op te nemen) "in al onze werken, in heel ons leven, onze wil en onze liefde... om enkel en uitsluitend te verlangen naar Hem, in grote zuiverheid zonder iets anders".

Om te bezinnen nemen we teksten die ons helpen om te beseffen dat God, verborgen is in ieder van ons (maar dus ook in mij!).

"God is daar altijd aanwezig, zelfs als we het niet voelen", heeft Tauler ons gezegd, en dat kan ons als een "op de proef stellen" overkomen. Maar neen, Hij is niet te ver, maar te dichtbij om gezien te worden; "intiemer aan mezelf dan mezelf", zoals het beroemde gezegde van Augustinus. En dit duidt de richting aan van het bidden, een steeds eenvoudiger ontvangst van diegene die zich aan ons openbaart in de mate dat wij zijn aanwezigheid heel eenvoudig aanvaarden: "U was er Heer, maar ik was er niet!" zei Sint Augustinus nog.

Zo wel is God in ons verborgen, en zo dichtbij, dat Jean Rigoleuc ons het volgende op het hart drukt:

We moeten God niet ver van ons zoeken, we moeten niet veel moeite doen om hem te zoeken, we moeten hem niet zoeken door veel te doen, we moeten niet zoeken Hem te voelen, we moeten Hem zelfs niet zoeken, maar we moeten ons ervan overtuigen dat Hij ons gevonden heeft. En bijgevolg, in plaats van ons bezig te houden waar we Hem moeten zoeken, of waar we Hem kunnen bespeuren, of welke inspanningen of daden we moeten doen, berustend in zijn handen, ons overleverend aan zijn leiding, zodat Hij naar zijn bestwil in ons en door ons werkt, houden we onze geest in deze overtuiging en ons hart in deze stemming; en op die manier blijven we steeds in een diepe vrede.

Deze tekst is genomen uit het dagboek van Jean Rigoleuc. Hij werd in Brieve in Frankrijk geboren in 1596 en stierf in 1658. Hij genoot zijn opleiding in Rennes, en trad bij de Jezuieten binnen in Rouen. Hij wordt benoemd in het secundair onderwijs en tot het preken van volksmissies in centraal Frankrijk en in Bretagne. Zijn correspondentie en verhandelingen laten iemand zien die steeds verbonden is met God en een groot geestelijk leider is.

Muziek nr5: We moeten God niet ver van ons zoeken, we moeten niet veel moeite doen om hem te zoeken, we moeten hem niet zoeken door veel te doen, we moeten niet zoeken Hem te voelen, we moeten Hem zelfs niet zoeken, maar we moeten ons ervan overtuigen dat Hij ons gevonden heeft.

Tekst nr6:

Laten we nog even een kleine aanbeveling op het hart drukken:

Laten we niet de aanwezigheid van God verwarren met de indruk van de aanwezigheid van God. Laten we trouw zijn aan het dagelijks gebed omdat we God aanwezig weten (en niet om de indruk die we daarvan hebben). Deze geloofsdaad is het fundament zelf van ons gebed, en Hem verlaten onder het voorwendsel dat we niets voelen zou de ondergang betekenen van ons Christelijk leven. Maar hoe moeten we het aanpakken, met die God die we niet zien of horen?

Nog even geduld, en laten we nu heel eenvoudig de twee eerste stappen van elk bidden hernemen: me bewust worden van de liefde van God voor mij, en me in zijn aanwezigheid zetten (weten).

In een volgende stap willen we stilstaan bij wat ons eigenlijk te doen staat: namelijk het huis op orde zetten, of het kasteel van de ziel, om het beeld van de Heilige Theresia van Avila te gebruiken. Maar wat wil dat eigenlijk zeggen "uw huis op orde zetten", wat houdt dat in feite allemaal in? Het draait allemaal om de ontvangst van de bruidegom zo vlekkeloos en goed mogelijk te laten verlopen.

"Ik hoor mijn Welbeminde die komt..." hoorden we in het Hooglied. Hoe kunnen we hem goed onthalen? Een verwelkomend huis is een huis dat op orde is. Een christelijk leven is op orde als ze wil wat God wil, waartoe we ons hebben verbonden op de dag van het doopsel. Er is geen gebed mogelijk buiten die wil, die een andere naam is voor de liefde:

Al wie novice is in het bidden (vergeet dit niet, het is heel belangrijk), moet de enige eis hebben om zo vastberaden mogelijk te zwoegen, zich ertoe te brengen, zich bereid te maken, tot het conformeren van zijn/haar wil tot deze van God. Wees er goed van bewust dat dit de grootste volmaaktheid is die men kan bereiken op de geestelijke weg. Je zal des te meer verkrijgen van de Heer hoe perfecter je dit naleeft, en je zal des te meer vooruitgang maken op die weg. Denk niet dat er daar gecompliceerde stukken, onbekende dingen of geheimen mee gemoeid zijn: heel ons geluk bestaat juist daarin.

Heilige Theresia van Avila, Kasteel van de ziel, II, 1

Muziek nr6:

Tekst nr7:

De goede wil moet aan God noch vreugde, noch inwendige troost, noch een of ander ding vragen, maar het is met de hele omvang van zijn verlangens erop uit zijn om Zijn verrukkelijke wil te verwezenlijken... Wat God boven al van ons verlangt, dat is dat terwijl we onze eigen wil volledig aan hem afstaan, we Hem alles laten doen wat Hem gelieft. Van daaruit vloeit de ware en blijvende vrede voort die we bezitten. Bij gebrek daarvan, dient ons alles wat we aan God zeggen of alles wat God tot ons zegt tot niets of tot heel weinig, tot we kunnen zeggen naar het aanvoelen van de Apostel: Heer, wat wil Jij dat ik doe? (Cf. Hand. 9,6) Want God weet wat Hij moet doen, en onze overgave is hem aangenamer dan wanneer we Hem beloven door een verandering van eigen wil vele uitzonderlijke dingen te doen tot Zijn meerdere glorie; welnu, wat we ook kunnen doen of zeggen, God vraagt en verlangt niets liever van ons dan dat Hij ons hoort zeggen uit de grond van ons hart: Heer, dat Uw wil – die me veel waardevoller is dan wat dan ook – zich mag verwezenlijken!

Jan, Tauler, Institutiones, 18

En wanneer dit voornemen stevig in ons verankert zit, dan zal ons huis de Veelgeliefde kunnen ontvangen. Zo niet, gaan we Hem niet veeleer wegsturen op het moment dat we Hem vragen om binnen te komen? Hem vragen dat Zijn wil geschiede in ons gebed, maar die elders weigeren? Hebben we gedacht aan de nodige bekering vooraleer te gaan bidden? Zo ja, dan zijn we klaar voor de volgende stap. Indien we dat niet zijn, laten we dan beginnen met orde te zetten in ons huis.

In de zesde editie van Binnenskamers vermeldden we reeds de Duitse Dominicaan Johannes Tauler. Hij werd geboren ca. 1300 in Strasbourg, en overleden in(/op 15 juni) 1361. We willen hem toch nog even vermelden en voorstellen. Hij was een mysticus en Theoloog, en werd sterk beïnvloed door Meester Eckhart, die doceerde in de abdijschool van het Dominicaans convent in zijn geboortestad Strasbourg (1312–1320), waar hij een deel van zijn opleiding kreeg. De Institutiones is echter niet geheel van zijn hand. Deze compilatie is een van de vele vruchten van de grootse uitgeversactiviteit die de Jezuïeten en Kartuizers van Keulen in de 16de eeuw aan de dag legden en die aan de oorsprong lag van de verspreiding van de mystiek van het noorden in heel Europa. De Institutiones werden in het Duits uitgegeven door de Jezuïet Peter Canisius in 1543 en oefenden grote invloed uit door de latijnse vertaling van 1548 door de Kartuizer Laurens Surius. Het was het meest geliefde boek van Teresia van Avila. Wanneer het in 1559 door de Spaanse Inquisitie verboden wordt, hoort ze Christus tot haar zeggen: "Voortaan zal ik je levend boek zijn."

Muziek nr7: Wat God boven al van ons verlangt, dat is dat terwijl we onze eigen wil volledig aan hem afstaan, we Hem alles laten doen wat Hem gelieft. Van daaruit vloeit de ware en blijvende vrede voort die we bezitten.

Tekst nr8:

we bidden maar goed als we een gerust geweten hebben. Indien dat niet het geval is, dan moet het eerste van onze gebeden erin bestaan om het geweten te kalmeren door vergiffenis te vragen aan God en aan hen die we aanstoot hebben gegeven. "als je uw offergave brengt naar het altaar, en daar herinner je jezelf dat je broeder iets tegen je heeft, laat dan uw offergave staan en ga je eerst verzoenen met je broeder." (Mt. 5, 23-24) Als ons geweten niet vredig is, laten we dan beginnen met te beslissen om de weg van de verzoening in te slaan. En laten we in het algemeen de gewoonte nemen van een kort gewetensonderzoek te doen, al was het maar de tijd van een terugblik op de voorbije dag aan het begin van onze gebedstijd.

Om te bezinnen probeer ik mijn hart te openen voor de liefde.

Als je verlangt te bidden, doe dan niets dat wat niet compatibel is met het gebed, opdat God nadert en met ons mee op weg gaat.
Als er een uitdaging of tegenstrijdigheid zich aandient en dat je geïrriteerd bent en voelt dat je woede je stuurt om wat je is aangedaan betaald te zetten of om tegen te spreken, herinner jezelf dan aan je gebed en aan het oordeel dat je wacht, en je ongeordende neiging zal dadelijk in jezelf tot rust komen.
Alles wat je zal doen om je te wreken op een broer die je tekort zou hebben gedaan, dat alles zal je tot een struikelblok worden op het moment van je gebed.
De wrok verblindt de rede van degene die bidt en verduistert zijn bidden.

Evagrius van Pontus, Traktaat over het gebed

Muziek nr8:

Tekst nr9:

Luisteren we tot slot nog naar wie die Evagrius van Pontus wel is. Hij werd geboren in Ibora te Pontus, in 345 (in het noorden van het huidige Turkije, aan de kust van de Zwarte Zee) en overleed in Kellia te Egypte in het jaar 399. Hij was leerling van de heilige Basilius en van Gregorius van Nazianze. Hij verlaat het keizerlijk hof en zijn intriges om het kluizenaarsleven te omhelzen, eerst in Jeruzalem en vervolgens in de woestijn van Egypte. De invloed van zijn grondbeginselen over het geestelijk leven op de latere monastieke spiritualiteit, zowel in het Oosten als in het Westen, zal aanzienlijk zijn.

De teksten die we in deze editie hebben voorgelezen komen voor een groot deel uit een werkje van Pater Max de Longchamp, "Oraison à l'école des Saints", vertaald als "Bidden... bij de Heiligen in de leer". Het is een bescheiden poging om enkele belangrijke aspecten van onze hoge roeping en ons groot liefdesavontuur met God te proberen onder woorden te brengen.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, dan kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen. U kan ook steeds een van de laatste uitzendingen via internet herbeluisteren in een ietwat ingekorte versie.

Muziek nr9:

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk aspect van ons mens-zijn, namelijk "Het gebed, of onze geestelijke levensweg."