Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
Tekst nr1:
Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". We vervolgen onze reeks edities over de Zalige Jan van Ruusbroec met zijn werkje van "De Blinkende Steen". Met deze bijdrage komen we toch aan het einde van dit werkje van Ruusbroec en aan onze ontdekkingstocht onder zijn leiding. De informatie die hij ons doorgeeft is zeer rijk, en vraagt - om goed te zijn - nog veel grondigere behandeling, maar voor dit radioprogramma laten we dat over aan studie - of leesgroepjes die dit locaal ergens opnemen. Ideaal gezien vraagt het zelfs een voortgezette zelfstudie om het onzegbare wat Ruusbroec hier poogt te verwoorden best tot ons te laten doordringen.
We zullen ook tijdens deze uitzending af en toe een paar stukjes in het Middel-Nederlands voorlezen tijdens de muzikale intermezzo's. Naast de vertaling naar het hedendaags Nederlands is het verrijkend om af en toe te horen hoe Jan van Ruusbroec het zelf op creatieve wijze heeft geformuleerd. Dit helpt ons eveneens verder vertrouwd te raken met dit mooie literaire oeuvre van deze wonderbare en getalenteerde schrijver.
"De Blinkende Steen" biedt ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van de Christelijke contemplatie. De inwendige wereld die de onze is, blijft moeilijk toegankelijk voor ons westerlingen. Om erin thuis te komen hebben we - niettegenstaande de tijdskloof - aan Ruusbroec een prima gids. Jawel, veel verwarring heerst er bij de hedendaagse zin-zoekende mens. Aan de zuivere intentie van Ruusbroec kunnen we niet twijfelen. Hij kan ook nu nog de in de war gebrachte zin-zoekers helpen met zijn werk.
Vorige keer heeft Ruusbroec het onderscheid besproken dat er bestaat tussen het mystieke schouwen en de gelukzalige aanschouwing van God. Aan het einde handelde hij over het aanroeren van God, dat óf intrekkend óf uitvloeiend is. "In zijn intrekken moeten wij heel en al van Hem zijn: daar leren wij sterven en schouwen. Maar in zijn uitvloeien wil Hij geheel en al van ons zijn : daar leert Hij ons te leven in rijkdom van deugden. Luisteren we nu hoe Ruusbroec ons verder spreekt over de Vrucht van God, namelijk de Zoon van God, die de Vader in onze geest baart.
Deze keer zullen we veel minder commentaar geven en voorrang geven aan het werkje van Jan van Ruusbroec.
Muziek nr1: (Deel III p. 35) Als wij des ghevoelen, dat ons God van binnen gherijnt, soe smaken wij sijnder vrocht ende sijnder spijsen, want sijn gherijnen dat es sijn spisen. Ende 15 sijn gherijnen es intreckende ochte uutvloevende, also als ic hier-vore seide. In sinen intreckene moeten wij te-male sine zijn ; daer leeren wij sterven ende scouwen. Maer in sinen uutvloeyene wilt Hi te-male onse sijn ; daer leert Hi ons te levene in rijcheden van duechden. In zijn intreckende gherinen 20 falieren al onse crachte, ende dan sitten wij onder sine scadue, ende dan es sine vrocht soete onser kelen. Want de vrocht Gods, dat es de Sone Gods dien de Vader in onsen gheeste ghebaert. Dese Vrocht es alsoe grondeloes soete onser kelen, dat wise niet verswelgen en connen, 25 noch verwandelen in ons, maer si verswelcht ende verwandelt ons in Hare.
Tekst nr2:
Het stukje tekst dat volgt kreeg van de uitgever als titel: DE BLINKENDE STEEN.
| Telkens als deze Vrucht ons inwendig aanroert, komen wij los van alles en overwinnen alles. En al overwinnend doorsmaken wij het verborgen hemels brood dat ons eeuwig leven geeft; want wij ontvangen de blinkende steen, waarvan ik vroeger sprak, waarin onze namen staan geschreven van vóór het begin der wereld. Dit is de nieuwe naam die niemand verstaat dan die hem ontvangt. En ieder die zich met God verenigd voelt, smaakt zijn naam naar het gehalte van zijn deugden, van zijn opgang naar God en van zijn eenheid met Hem. Opdat eenieder zijn eigen naam moge verkrijgen en eeuwig bezitten, heeft het Lam Gods, dat is de mensheid van onze Heer, zich aan de dood overgeleverd, en voor ons het boek des levens ontsloten, waarin al de namen der uitverkorenen staan geschreven. En van die namen kan niet één gedelgd worden, want ze zijn één met het levende Boek, dat de Zoon Gods is. En diezelfde dood van Christus heeft de zegels van het Boek verbroken, zodat alle deugden volbracht worden volgens Gods eeuwige Voorzienigheid. |
| Naarmate derhalve ieder zich overwinnen kan en aan alle dingen sterven, gevoelt hij de intrekkende aanroering van de Vader, en naar die mate ook smaakt de ingeboren vrucht van de Zoon hem zoet, en door die smaak getuigt de Heilige Geest hem, dat hij een erfkind van God is. In deze drie punten is niemand in alle opzichten gelijk aan een ander. Daarom ontvangt ieder een bijzondere naam, en wordt zijn naam telkens vernieuwd door nieuwe genade en nieuwe deugdwerken. Daarom ook buigen alle knieën voor de Naam Jezus : want Hij heeft voor ons gestreden en overwonnen. En Hij heeft onze duisternis verlicht en alle deugden volbracht in de hoogste graad. Daarom is zijn Naam verheven boven alle namen (Pil. 2, 9), want Hij is vorst en prins boven alle uitverkorenen, en in zijn Naam zijn ook wij geroepen en uitverkoren en met genade en deugden toegerust, en verwachten wij de heerlijkheid Gods. |
Muziek nr2:
Tekst nr3:
De titel die gegeven werd aan de paragraafjes die nu volgen is "DE THABOR VAN ONZE BLOTE GEDACHTE".
| Opdat dan Zijn Naam geloofd en verheerlijkt worde in ons, laten wij Hem volgen op de berg van onze blote gedachte, gelijk Petrus, Jacobus en Joannes Hem gevolgd zijn op de Thabor. |
Het handelt eerst over de "OPENBARING VAN DE GODHEID IN DE NAAM VAN DE ZOON"
| Thabor betekent in het Diets zo veel als "groeiend licht". Als wij met Petrus de waarheid kennen, met Jacobus de wereld overwinnen en met Joannes vol genade de deugden in alle gerechtigheid bezitten, dan leidt Jezus ons op de berg van onze blote gedachte in een woeste verborgenheid, en openbaart Zichzelf verheerlijkt in goddelijke klaarheid (2. Petr. 1, 16 vv.) En in Jezus' Naam opent zijn hemelse Vader het levende boek van zijn eeuwige Wijsheid. |
| En de wijsheid Gods overvormt onze blote zieleblik en de eenvuldigheid van onze geest met een wijze-loze, eenvuldige smaak van alle goed zonder onderscheid. Want in ons verheven-zijn met God daar is schouwen en weten, smaken en gevoelen, leven en bestaan, hebben en zijn allemaal volkomen een en hetzelfde. Maar tegenover dit verheven-zijn blijven wij allen staande en wel ieder op een gans eigen wijze. Want krachtens zijn Wijsheid en in zijn Goedheid begenadigt onze hemelse Vader ieder in het bijzonder naar de adel van zijn wezen en van zijn geestelijk leven. |
Muziek nr3: Thabor luydt alzoe vele in dietsche als eene toewassinghe 10 des lichts. Eest dat wij sijn Peeter, bekinnende de waerheit, ende Jacob, verwinnende die werelt, ende Jan, vol graciën, besittende die duechde in gherechticheit, soe leydt ons Jhesus opden berch onser bloeter ghedachten in eene woeste verborghenheit, ende openbaert ons Hem 15 selven glorificeert in godlijcker claerheit. Ende, in sinen name, opent ons zijn hemelsche Vader dat levende boec zijnder ewigher wijsheit.
Tekst nr4:
Het tweede deeltje van "DE THABOR VAN ONZE BLOTE GEDACHTE" betreft "HET MYSTIEKE ZOONSCHAP IN EN MET DE ZOON"
| En daarom : bleven wij zonder ophouden met Jezus op de Thabor, d.i. op de berg van onze blote gedachte, wij zouden ook zonder ophouden nieuw licht en nieuwe waarheid in ons voelen groeien; want wij zouden zonder ophouden de stem van de Vader horen, die ons aanroert, uitvloeiende met genaden en intrekkende tot eenheid. Alle volgelingen van onze Heer Jezus Christus horen deze stem van de Vader; want God spreekt tot hen allen: "Dezen zijn mijn uitverkoren zonen, die Mij allen welgevallig zijn". En uit dit welgevallen ontvangt eenieder genade naar de mate waarin en de manier waarop God hem behaagt. En dat God behagen schept in ons en wij in God : daarin bestaat de beoefening zelf van de gerechte minne; en zo smaakt eenieder zijn naam, zijn bediening en de vrucht van zijn werken. Hier zijn de goede mensen verborgen voor hen, die voor de wereld leven; want die zijn dood voor God en zonder naam en bijgevolg kunnen zij niet gevoelen noch smaken wat de levenden toebehoort. |
| Het uitvloeiende aanroeren van God doet ons leven in de geest en vervult ons met genaden, verlicht onze rede, leert ons de waarheid en de onderscheiden deugden kennen, en houdt ons staande voor de tegenwoordigheid Gods met zo grote kracht, dat wij alle smaak en gevoel en alle uitvloeiende genaden Gods kunnen verdragen, zonder dat onze geest begeeft. |
| Het intrekkende aanroeren Gods daarentegen wekt in ons een aandrang om één te zijn met God, om ontgeest te worden en te sterven in zaligheid, dit is : in de énig-innige, eeuwige Minne, die de Vader en de Zoon omvangt in één genieten. Wanneer wij dan met Jezus geklommen zijn op de berg onzer ongebeeldheid en als wij hem verder volgen met eenvuldige zieleblik, met innig behagen, met genietend verlangen, dan zullen wij de sterke hitte van de Heilige Geest gevoelen, die ons verteren en versmelten doet tot in de eenheid met God. Immers, waar wij, één met de Zoon Gods, wedergebogen worden tot in onze oorsprong, daar horen wij de stem van de Vader die ons intrekkend aanroert, en die spreekt tot al zijn uitverkorenen in het eeuwig Woord: "Dit is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik mijn mede-behagen stel. Gij moet nl. weten, dat de Vader tegenover de Zoon en de Zoon tegenover de Vader er een eeuwig wederzijds behagen in hebben: dat de Zoon onze mensheid zou aannemen, en dat Hij zou sterven, en alle uitverkorenen wederbrengen tot hun begin. En bijgevolg : worden wij door de Zoon verheven tot in onze oorsprong, dan horen wij de intrekkende stem van de Vader, die ons verlicht door de eeuwige Waarheid; en die Waarheid openbaart ons het wijd-ontploken behagen Gods, begin en einde van alle welbehagen. Daar begeven al onze krachten en wij vallen voorover (verg. Mt. 17, 6) bij deze open aanblik en worden allen één, en een "al" (geheel), in het minnelijk omhelzen der Drievuldige Eenheid. Waar wij deze eenheid ervaren, daar zijn alle dingen volbracht en daar zijn alle dingen nieuw. (Zie A. III, 371. Zinspeling op het nieuwe doopsel in de Geest (Tit, 1, 5).) Want doordat we gedoopt worden in de geweldige omhelzing van Gods Minne, is voor eenieder de vreugde zo groot en hem zo bijzonder-eigen dat hij op andermans vreugde niet eens kan letten noch er over nadenken. Hij is daar immers genietende minne, die zelf álles is, en die buiten haar niets behoeft te zoeken of ook maar zoeken kán. |
Muziek nr4:
Tekst nr5:
Nu krijgen we een SAMENVATTING, namelijk zes TRAPPEN die vereist zijn om TER GOD-SCHOUWING te komen.
Eerst en voor al krijgen we "DE LAGERE TRAPPEN" opgesomd en uitgelegd
| Wil de mens God genieten, dan zijn daartoe drie punten vereist, nl. ware vrede, inwendig zwijgen en minnelijk aanhangen. |
Vanaf het begin kondigde Ruusbroec ons dit genieten van God aan als een bekroning van het contemplatieve leven. Het woord ghebruken die in het middelnederlands wordt gebruikt om dit deugddoende genieten te beschrijven is gereserveerd voor deze ontplooiing. In het Latijn frui of fruitio en in het Frans vertaald als fruition zal de vreugde van het genieten verbinden aan de vruchtbaarheid van de eenheid, namelijk de contemplatie en de actie in dit "gemeenschappelijke leven". Het wordt eerst en vooral toegepast op de wederzijdse vreugde die de Vader en de Zoon in elkaar vinden. Deze vreugde zal zich uitbreiden tot al diegenen die de Zoon binnenleidt in hun genietende eenheid. Al onze krachten bevinden zich dan in die "ware vrede, inwendig zwijgen en minnelijk aanhangen."
Ruusbroec wijdt zijn mooiste bladzijden aan de beschrijving van deze staat waarnaar hij ons begeleidt, maar steeds zal hij onderstrepen dat er geen woorden bestaan om dit te beschrijven. Daar heerst de enige eeuwige stilte van de volheid van God. Dit vinden we heel mooi beschreven in het werkje Van de zeven sloten.
Deze genieting is even goed de ervaring van de gemeenschap der heiligen, de vlam van elkeen wakkert het vuur de liefde aan in het voordeel van allen. Dit laatste vinden we pakkend beschreven in het werkje Van de zeven trappen van de liefde.
Muziek nr5: Ende hier-omme, alse wij gheclommen sijn met Jhesumme opden berch onser onghebeeltheit, eest dat wij Hem dan na-volghen met eenvoldighen ghesichte, met inneghen behagene, met ghebrukelijcker neyghinghen, soe 30 ghevoelen wij de sterke hitte des Heilichs Gheests, die ons verberren ende versmelten doet tot in die eenicheit Gods. Want daer wij, één met den Sone Gods, minlijc wederboecht zijn in onse beghin, daer horen wij des Vaders stemme die ons intreckende gherijnt ; want Hi spreect alle 35 sine vercorne in sinen ewighen woorde : "Dit es mijn lieve Sone inden welcken ic my me-behaghede."
Tekst nr6:
Luisteren we nu naar de drie eerste trappen, nl. de ware vrede, het inwendig zwijgen en het minnelijk aanhangen.
| 1. Hij die ware vrede met God wil vinden, moet God zozeer liefhebben, dat hij met een vrij gemoed en om Gods eer alles verzaken kan, wat hij ongeregeld doet of liefheeft, wat hij in strijd met Gods eer, bezit of zou kunnen bezitten. Dat is het eerste punt, dat voor alle mensen nodig is. |
| 2. Het tweede punt is een inwendig zwijgen, d.w.z. dat hij ledig en onverbeeld moet zijn, los van alles wat hij ooit zag of hoorde. |
| 3. Het derde punt is, God minnelijk aanhangen, en dat aanhangen zelf is juist God genieten. Want wie God aanhangt uit pure liefde en niet om eigen voordeel, geniet God in waarheid en hij voelt dat hij God bemint en door God bemind wordt. |
Nu komen DE HOGERE TRAPPEN aan de beurt.
| Daarenboven zijn er drie andere, meer verheven punten, die de mens bevestigen en hem in staat stellen om God te ervaren en te genieten zo vaak als hij zich daartoe wil openstellen. |
| 1. Het eerste van deze punten is : rusten in Hem, die men geniet. Dit geschiedt waar de minnende door de Beminde overwonnen en bezeten wordt in blote, wezenlijke minne. Daar is de minnaar in de Beminde van minne verzonken en beiden behoren elkaar algeheel toe; zij zijn één in het bezitten en één in het rusten. |
| 2. Hierna komt het tweede punt, en wel : een ontslapen in God. Dat geschiedt als de geest aan zichzelf ontzinkt, hij weet niet op welke manier noch waar of hoe. |
Muziek nr6:
Tekst nr7:
| 3. Ten slotte volgt het derde en laatste punt van wat men onder woorden kan brengen, nl. dat de geest een duisternis schouwt, waar hij met zijn rede niet binnen kan. Daar gevoelt hij zich gestorven en verloren en een met God zonder (merkbaar) onderscheid. En waar hij zich één met God ervaart, daar is God zelf zijn vrede, zijn genieten en zijn rusten. Het is dan ook een grondeloze diepte, waar hij aan zichzelf moet sterven in zaligheid en weer levend worden in deugdbeoefening, zodra Minne en haar aanroeren het hem gebieden. Ziet ! als ge deze zes punten ervaart, dan weet ge alles wat ik u in het voorgaande heb gezegd of u nog verder zou kunnen zeggen. |
| Dan zal het u bij uw inkeren even gemakkelijk zijn om te schouwen en te genieten als om uw gewoon natuurlijk leven te leiden. |
Het woordje inkeer dat Ruusbroec hier gebruikt, heeft de dubbele betekenis van verinnerlijking in het gebed, en van de terugkeer naar God die de grond is van de ziel (grond, in de zin van fundering). Dit stelt ons ten slotte in staat om de contemplatieve continuiteit van de hele spirituele levensweg te begrijpen: daar waar de ziel zich inkeert en zich aan het bidden zet, wat zeer actief kan lijken, maar in realiteit laat ze zich reeds trekken door en naar deze verborgen God, zonder reeds te weten dat ze hem zal leiden daar waar Ruusbroec ons opwacht, in deze eenvoudige genieting van de wezenlijke zaligheid.
| Uit deze rijkdom komt ten slotte een 'gemeen' leven voort, waarover ik in het begin beloofde te spreken. |
En nu kan Ruusbroec (zoals we het zonet in dit korte zinnetje hebben gehoord) de hele spirituele levensweg samenvatten in het begrip van het "gemeine leven", waarvan de definitie de hoofdvraag was die zijn gesprekspartner hem had gesteld over de Geestelijke Bruiloft.
Muziek nr7: Ende hier-na volcht dat derde poent ende dat leste datmen ghewaerden can, dat es daer de gheest scouwet eene duysternisse daer hi met redenen niet inne en mach. Ende daer-inne ghevoelt hi hem ghestorven ende verloren ende één met Gode sonder differencie. 25 Ende daer hi hem één met Gode ghevoelt, daer es God selve zijn vrede, zijn ghebruken ende zijn rasten. Ende hier-omme eest al grondeloes daer hi sijns selfs in sterven moet in zalicheiden, ende weder levende werden in doechden alst minne ghebiedt ende haer berueren.
Tekst nr8:
Tot SLOT krijgen we nu de: BEKRONING DOOR HET 'GEMENE' LEVEN
| De mens, die uit deze hoogte door God nedergezonden wordt in de wereld, is vervuld van waarheid en rijk aan alle deugden. Hij zoekt zichzelf niet maar de eer van God, die hem gezonden heeft. Hij is dan ook rechtvaardig en waarachtig in alle dingen en bezit een rijke, milde grond, die gevestigd is in de rijkheid Gods. Daarom voelt hij de behoefte om zonder ophouden uit te vloeien in allen, die hem nodig hebben; want zijn rijkdom bestaat in de levende bron van de Heilige Geest, die men nooit volledig leegputten kan. Hij is een levend en gewillig werktuig van God, waarmede God uitwerkt wat Hij wil en gelijk Hij het wil. Daarom ook eigent die mens zich dit niet toe : hij geeft alle eer aan God. Zo blijft hij beschikbaar en bereid om alles te doen wat God gebiedt, en is hij sterk en moedig in het dulden en verdragen van wat God hem overzendt. Zo bezit hij een 'gemeen' leven; want schouwen en werken liggen hem even na en in beide is hij volmaakt. Niemand immers kan dit gemene leven bezitten als hij geen schouwend mens is; en niemand kan schouwen en God genieten, tenzij in hem de zes boven genoemde punten verwezenlijkt zijn. |
| Bijgevolg misleiden zich allen, die wanen te schouwen terwijl zij nog ongeregeld enig schepsel beminnen, ermede omgaan of het bezitten; die zich inbeelden te genieten eer zij onverbeeld zijn of die rusten eer zij genieten. Die zijn allen misleid ! |
| Wij moeten ons integendeel naar Gods wil schikken met een open hart, een gerust geweten en een ongesluierde blik, ongeveinsd en in oprechte waarheid. |
| Zo zullen wij opgaan van deugd tot deugd en God schouwen en Hem genieten en in Hem één worden, gelijk ik het u heb uitgelegd. |
| Moge dit ons allen te beurt vallen: daartoe helpe ons God. Amen. |
Muziek nr8:
Tekst nr9:
Luisteren we nog even naar het begin van Ruusbroecs samenvatting, maar nu in het Middelnederlands:
Die mensche die ute deser hoocheit van Gode neder-ghesent wert inde werelt, hi es volder waerheit, ende rijcke van 5 allen doechden. Ende hi en soekent sijns niet, maer Des-gheens eere diene ghesonden heeft. Ende daer-omme es hi gherecht ende warechtich in allen dinghen. Ende hi heeft eenen rijcken melden gront, die ghefondeert es inde rijcheit Gods. Ende daer-omme moet hi altoes vloeyen in alle die-ghene die sijns 10 behoeven ; want die levende fonteyne des Heilichs Gheests die es sine rijcheit diemen niet versceppen en mach. Ende hi es een levende willich instrument Gods daer God mede werct wat Hi wilt ende hoe Hi wilt ; ende des en dreecht hi hem niet ane, maer hi gheeft Gode die eere. Ende 15 daer omme blijft hi willich ende ghereet al te doene dat God ghebiedt ; ende sterc ende ghenendich alt te dogene ende te verdraghene dat God op hem ghestaedt. Ende hier-omme heeft hi een ghemeyn leven ; want hem es scouwen ende werken even ghereet, ende in beyden es hi volcomen. 20 Want niemen en mach dit ghemeyn leven hebben, hi en si een scouwende mensche ; ende niemen en mach scouwen noch Gods ghebruken hi en hebbe dese vj poente in hem alsoe gheordent als icse hier vore seide.
Met deze woorden: "Moge dit ons allen te beurt vallen" willen wij deze reeks van uitzendingen van Ruusbroec afsluiten. En daar bij moeten we niet vergeten dat we het niet met onze eigen krachten zullen kunnen klaren. Ruusbroec laat daar niet zonder reden op volgen: "Daartoe helpe ons God. Amen."
Volgende keer zullen we een reeks uitzendingen aanvatten die het persoonlijk gebed met zijn verschillende aspecten in de aandacht zal brengen. We zullen er weer veel meer spirituele auteurs bij betrekken dan alleen Jan van Ruusbroec. Hopelijk heeft de sterke basis van dit prachtig werkje van De blinkende steen u deugd gedaan, en de weg weer zichtbaarder gemaakt waar de Heer u opwacht.
De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar komt grotendeels uit de recent verschenen Franstalige vertaling "La Pierre Brillante" van Pater Max Huot de Longchamp.
Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, dan kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen. U kan ook steeds een van de laatste uitzendingen via internet herbeluisteren in een ietwat ingekorte versie.
Muziek nr9:
_____________
U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.