Binnenskamers

Tweeëndertigste editie
Jan van Ruusbroec (1293-1381): "De Blinkende Steen" - Vervolg 7. Eén leven met God. Wederkeer in onze oorsprong. Overvormd door Gods Klaarheid. Een aantal bijzondere aspecten.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". We vervolgen in deze editie nog onze reeks van bijdragen, waarbij we de Zalige Jan van Ruusbroec, vrij grondig ter hand nemen met zijn werkje, "De Blinkende Steen". We hebben nog veel te ontdekking op deze tocht onder zijn leiding.

Ook deze keer zullen we af en toe een paar stukjes in het Middel-Nederlands voorlezen tijdens de muzikale intermezzo's om ons verder vertrouwd te maken met deze taal, en zo beter te kunnen genieten van het mooie literaire oeuvre van deze wonderbare en getalenteerde schrijver.

Nog steeds biedt het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen" ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van de Christelijke contemplatie. Ook nu nog hebben wij het moeilijk om op dat vlak alles duidelijk in te zien. De inwendige wereld die de onze is, is ons nochtans zeer onbekend. Om erin thuis te komen hebben we aan Ruusbroec de goede gids. Jawel, veel verwarring heerst er deze dagen bij de zin-zoekende mens, en velen stellen zich voor als gids om op al die prangende vragen een antwoord te geven. Aan de zuivere intentie van Ruusbroec kunnen we niet twijfelen. Hij kan ook nu nog de in de war gebrachte zin-zoekers helpen met zijn werk. Zijn woordenschat is zoals we reeds hebben gezegd zeer origineel, zijn denken zeer persoonlijk en zijn spirituele scherpzinnigheid uitzonderlijk. Zijn bijnaam, de wonderbare heeft hij dan ook niet voor niets gekregen.

Uitgedaagd om zich beter verstaanbaar te maken bewijst hij ons een immense dienst in deze beknopte uitleg van zijn fundamentele cathegorieën. Ons werk zal er dan ook in bestaan om de uitleg die Ruusbroec zelf levert enkel goed weer te geven, en waar nodig wat te versterken en eventueel wat verder te ontwikkelen. Toch zal deze literatuur voor velen jammer genoeg ontoegankelijk blijven. En Jan van Ruusbroec is zich daar terdege van bewust.

Muziek nr1: (Deel III p.25) Desen scouwene es altoes anehanghende eene wiseloese oefeninghe, dat es een vernieutende 5 leven. Want daer wij ons-selfs ute-gaen in donckerheiden ende in onwisen sonder gront, daer scijnt die eenvuldighe raeye der claerheit Gods altoes, daer wij inne ghefundeert sijn, ende die ons ute ons selven trect in overwesene ende in ontsonckenheiden van minnen. Ende deser ontsonkenheit 10 van minnen es altoes ane-hanghende ende na-volghende eene wiseloese oefeninghe van minnen, want minne en mach niet ledich sijn, maer si wilt doerweten ende doersmaken die grondelose rijcheit die in haren gronde leeft.

Tekst nr2:

Ruusbroec heeft ons in de vorige editie gesproken over de ontzonkenheid in minne, die een niet te stillen honger naar God in ons opwekt. Niet tegenstaande dat, kan men het niet uitspreken noch echt verzwijgen, want het geschiedt boven rede en begrip het gaat al wat schepsel is te boven. Maar "als wij onze geestesblik naar binnen keren, dan gevoelen wij dat de Geest Gods ons drijft en aanstookt in die ongedurigheid van Minne." En "als wij onze blik boven onszelf richten dan gevoelen wij, dat Gods Geest ons uit onszelf trekt en tot niet verteert in Zichzelf, d.i. in de overwezenlijke Minne, waarmede wij één zijn, en die wij dieper en breder bezitten dan wat ook."

Als we die woorden tot ons laten doordringen, is dat op zich al heel sterk, maar het is nog niet alles. "Dit bezitten" zegt Ruusbroec ons "is een eenvuldige, afgrondige smaak van alle goed en van eeuwig leven. In deze smaak zijn wij verzwolgen boven rede en zonder rede in de diepe stilheid van de immer onbewogen Godheid."

Daarna vervolgt hij:

Dat dit werkelijk zo is, kan men alleen bij ervaring weten, anders niet. Want op welke manier dit gebeurt, of hoe of waar of wat dit is, dat kan geen inspanning der rede noch enige oefening achterhalen. Daarom blijft onze daarop volgende beleving steeds wijzeloos, dat is zonder bepaalde manier. Want het grondeloze Goed, dat wij smaken en bezitten, kunnen wij noch vatten noch verstaan; en wij kunnen nooit uit onszelf door eigen inspanning daarin komen. Zo dan zijn wij in onszelf arm, en in God rijk; in onszelf hongerig en dorstig, en in God dronken en verzadigd; in onszelf werkend en in God van alles ontledigd rustend. Zo zullen wij ook eeuwig blijven, want zonder oefening van minne kunnen wij God nimmermeer bezitten. En wie anders meent of gelooft, vergist zich.

We krijgen hier, vooral bij deze laatste zin, een nieuwe waarschuwing tegen een mogelijk quietisme, want: er is geen liefde die niet actief is en tegelijk passief. Ruusbroec is zijn uiterste best aan het doen om goed te tonen dat activiteit en passiviteit geen van elkaar te onderscheiden momenten zijn, maar twee zijden van de liefde.

Muziek nr2:

Tekst nr3:

Ruusbroec legt ons nu uit hoe we één leven met God hebben.

Zo leven wij geheel in God in zoverre als wij onze zaligheid bezitten, en geheel in onszelf in zoverre als wij ons in de liefde tot God oefenen. En al leven wij geheel in God en geheel in onszelf toch is dit maar één leven. Maar het wordt op tweevoudige wijze, ja als tegengesteld aangevoeld. Want arm en rijk, hongerig en verzadigd, werken en rusten : deze dingen zijn radikaal tegengesteld. En toch ligt hierin de hoogste heerlijkheid die wij kunnen bereiken nu en in de Eeuwigheid. Want wij kunnen volstrekt niet God worden en onze geschapenheid verliezen: dat is onmogelijk. Van de andere kant : bleven wij helemaal in onszelf, van God afgezonderd, dan moesten wij ellendig zijn en onzalig. Daarom moeten wij ons geheel in God gevoelen en geheel in onszelf; tussen die twee gevoelens vinden wij niets anders dan de genade van Godswege en de minne-beleving van onzentwege. Want uit het opperste van ons gevoel schijnt de klaarheid Gods in ons, die ons de waarheid leert en ons aanzet tot alle deugden en tot eeuwige liefde voor God. Deze klaarheid blijven wij onverpoosd nagaan en volgen tot in de grond waaruit zij komt. Daar gevoelen wij niets anders dan ontgeesten en ontzinken in eenvoudige, grondeloze minne zonder wederkeer.

We zien in deze tekst stilaan de notie verschijnen van het "gemene leven", horizon van de hele "Blinkende steen". Gemeen (of gemeenschappelijk), want, "geheel in God... en geheel in onszelf". In God is ons "gemene leven" overwezenlijk, grondeloos, genieten, enz. (Ruusbroec gebruikt het woordje ghebrucken, wat het mystieke genieten betekent); en in ons is ons "gemene leven" wezenlijk, werkend, begrensd, enz.

Opnieuw onderscheidt Ruusbroec zich van het omringende illuminisme door ons eraan te herinneren dat we onze geschapenheid niet kunnen verliezen. De verwaandheid, of zelfs arrogantie van de verlichtten van zijn tijd: de sektarische beweging van "de vrije geest", wil deze realiteit niet voor ogen zien. De geschiedschrijver Pomerius, zet ons op het spoor van een zekere Bloemardinne die een niet kerkelijke vorm van mystiek promootte en waartegen Ruusbroec opkwam zoals we ons wellicht nog herinneren van de 29e editie van binnenskamers.

Muziek nr3: (Deel III p.26) Bleven wij oec te-male in ons selven ghesondert van Gode, soe moesten wij sijn elendich ende onsalich. Ende hier-omme selen wij ons gheheel in Gode ghevoelen ende gheheel in ons-selven. Ende tuschen dese twe ghevoelne en venden wij anders niet dan die 25 ghenade Gods ende die ufeninghe onser minnen. Want ute onsen oversten ghevoelne schijnt die claerheit Gods in ons die ons die waerheit leert, ende beweecht tot allen duechden ende in eewigher minnen te Gode. Deser claerheit sijn wij na-volghende sonder onderlaet tote inden 30 gronde daer sy uut comt. Ende daer en ghevoelen wij anders niet dan ontgheesten ende ontsincken in eenvoldigher grondeloser minnen zonder wederkeer.

Tekst nr4:

We hoorden zonet in het Middelnederlands de tekst die we voor de muzikale pauze reeds hebben aangepakt, en die we nu verder zullen bespreken.

"Uit het opperste van ons gevoel schijnt de klaarheid Gods in ons...", leert ons Ruusbroec. Deze klaarheid komt overeen met de bijbelse glorie van God. We zien dat vanaf het psychologisch centrale punt waar God deze klaarheid communiceert, dat wil zeggen vanuit het wezen van de ziel - waar ze begrepen wordt als in "het opperste van ons gevoel". Deze glorie verspreidt zich in haar krachten volgens de twee facetten van elke relatie tussen personen: de kennis ("die ons de waarheid leert") en de liefde (die "ons aanzet tot alle deugden"). En terzelfdertijd trekt dit "opperste van ons gevoel" de ziel aan om zich te keren(recueillir) tot degene uit wie ze voortkomt, jawel, tot aan het "ontzinken in eenvoudige, grondeloze minne zonder wederkeer".

In feite geeft Ruusbroec hier eenvoudigweg een beschrijving van het dubbel effect van elke liefdesrelatie, volgens de twee facetten van de liefde die hij beschrijft gedurende dit hele tweede deel van zijn werkje "De blinkende Steen". Nemen we een klein kind als voorbeeld, dat zich in de armen van diens moeder vlijt: ziehier de aantrekking die de liefde uitoefent; en terzelfdertijd is het steeds meer bereid tot alles om plezier te doen aan mama: ziehier het opwekken van haar krachten die het "aanzet tot alle deugden". Merk op dat hoe meer de kleine één wil zijn met de moeder, hoe meer het diens eigen persoonlijkheid opbouwt, en aldus diens vrijheid ten opzichte van diens moeder, en dus eveneens de capaciteit om haar te beminnen. Het onderscheid of verschil van de personen is correlatief met de gemeenschap van natuur, wat de definitie zelf is van de Drieëenheid, met andere woorden van de Liefde (met een hoofdletter).

Muziek nr4:

Tekst nr5:

Dit alles is meteen een wederkeer in onze oorsprong. Luisteren we naar de tekst van Ruusbroec.

Konden wij met onze eenvuldige geestesblik voortdurend in deze staat verwijlen, dan zouden wij dit ook voortdurend gewaar worden. Want ons ontzinken in de overvorming Gods duurt eeuwig en ononderbroken voort, eenmaal dat wij uit onszelf zijn getreden en God bezitten in ontzonkenheid van minne. Want bezitten wij God in ontzonkenheid van minne, dat is in zelfverlorenheid, dan is God ons eigen en zijn wij Hem eigen en blijven wij eeuwig en zonder wederkeer ontzinkende aan onszelf in onze wezensgrond, die God is. Dit ontzinken gaat wezenlijk gepaard met de habituele liefde (de heiligmakende genade). Daarom is het aanwezig of we slapen of waken, of wij het weten of niet weten. Zo gezien verdient dit ontzinken dan ook geen hogere graad van loon, maar het bewaart in ons het bezit van God en van al het goede dat wij hebben gekregen. Met dit ontzinken is het als met de rivieren, die gestadig en zonder wederkeer immer naar de zee vloeien, omdat daar hun eigen plaats is. Evenzo wanneer wij God alleen bezitten vliedt ons wezenlijk ontzinken door de habituele liefde steeds zonder terugkeer voort in een grondeloos gevoel, dat wij bezitten en dat ons eigen is. Ware onze blik steeds eenvuldig en met onverminderde aandacht daarop gevestigd, dan zouden wij dit ook zonder ophouden ervaren.

De habituele liefde (in de zin van het latijnse habitus), onderscheidt zich van de actuele liefde, zoals een gewoonte (onzichtbaar zolang ze niet de gelegenheid heeft om in actie te treden) zich onderscheidt van de acties die ze produceert. Twee echtgenoten die zich op een afstand van duizend kilometer van elkaar bevinden, beminnen elkaar niet minder dan als ze bij elkaar zijn, maar deze zeer reële liefde is dan slechts habitueel en zal pas actueel worden op het ogenblik dat ze voor gemeenschappelijke activiteiten elkaar terugvinden. Het is geheel de vraag hoe actie en contemplatie zich tegenover elkaar verhouden. Als de actie niet verworteld is in de contemplatie, dan is ze slechts een mechanisch gebeuren, daar waar een authentieke contemplatie alle liefde (op een verborgen wijze) bevat die zich kan manifesteren in de actie.

Deze korte uitweiding over liefde en verdienste volstaat om ons te tonen dat in tegenstelling tot de indruk die men veelal krijgt, Ruusbroec in realiteit een theoloog is die zich zeer bewust is van de verschillen van de School.

Muziek nr5: (Deel III p.27) Nu es dit ontsinken boven alle doechde ende boven alle oefeninghe van minnen, want het en es anders niet dan een eewich 25 uutgaen ons-selfs, met eenen claren voersiene in eene Anderheit, daer wij ute ons-selven in neyghen alse in zalicheden. Want wij ghevoelen een eewich ute-neyghen in eene Anderheit dan dat wij selve sijn. Ende dit es dat innichste ende dat verborghenste onderscheet 30 dat wij tuschen ons ende Gode ghevoelen moghen, want hier boven en es nemmer onderscheet.

Tekst nr6:

We worden dan overvormd door Gods Klaarheid.

Nu geschiedt dit ontzinken boven alle deugden en alle beoefening van liefde want het is anders niet dan een voortdurend uitgaan uit onszelf met een klare blik vooruit op een Anderheid waarheen wij, van onszelf weg, als in een zaligheid naartoe neigen. Wij gevoelen immers een eeuwig uit-neigen naar een Anderheid toe dan we zelf zijn. En dit is het innigste en verborgenste onderscheid dat wij tussen God en ons kunnen waarnemen; want hierboven bestaat verder geen onderscheid.

We zien dat dit gebrek aan onderscheid tussen God en de ziel, die zorgwekkend kon overkomen, niet wordt ingeleid door Ruusbroec op het ontologische niveau, maar gewoon als een beschrijving van de ervaring; niet: "er is geen onderscheid tussen God en de ziel," maar "de ziel voelt niet meer het onderscheid tussen haar en God" Het is ook de voorzichtige vertaling in het Latijn van Surius: ultra quod nulla alia differentia sentitur.

Nochtans blijft onze rede met open ogen staan in het donker, dat is in een niet-weten zonder grond. In die donkerheid blijft de grondeloze Klaarheid ons bedekt en verborgen. Want haar ons overstelpende grondeloosheid verblindt ons verstand. Maar zij omvat ons met haar eenvuldigheid en overvormt ons in Zichzelf; en zo worden wij door God aan onze werkzaamheid ontheven en tot in de ontzonkenheid van minne gebracht, waarin wij zaligheid bezitten en één zijn met God.

Zoals we reeds opmerkten in de vorige editie, dat sinds het werkje van Gregorius van Nissa, Het leven van Mozes, de contemplatie het binnendringen is in de duistere wolk die het uitverkoren volk begeleidde tijdens de uittocht, en waaruit Mozes het Woord Gods ontving. En dat het heel belangrijk is om goed te zien dat de bijbelse duisternis, ver van een zwart gat, een plaats van licht is, dat slechts als duister overkomt van buitenaf gezien, namelijk door contrast. Ruusbroec zegt ons zopas dat: "waar wij immers door de liefde alles overstijgen, en boven alle kennis-in-begrip sterven in niet-weten en in donkerheid, ... wij de onbegrijpelijke Klaarheid ontvangen, die ons omvangt en doorstraalt gelijk de lucht doorstraald wordt met de klaarte der zon."

Nogmaals, deze wetmatigheid van het contrast noodzakelijk voor het zien, verklaart de belangrijkste moeilijkheid van het contemplatieve leven. Dat leven is onderbroken van zodra men het wil observeren. Evenals het licht heel moeilijk kan geobserveerd worden, want daarvoor moet het ophouden te verlichten. Licht is slechts licht als het verlicht, en de contemplatie is slechts contemplatie als het zich op iets anders richt dan op zichzelf. De contemplatief ziet niet God ("Niemand heeft ooit God gezien" zegt ons Sint Jan), maar ziet alles zoals God het ziet, hij ziet alles in God. En het is daardoor dat het schouwen of de contemplatie "transformeert".

Muziek nr6:

Tekst nr7:

We mogen dit alles dus niet aanzien als een soort onbewustheid. Luisteren we verder naar Ruusbroec wat hij ons wil overbrengen:

Wanneer wij aldus met God worden verenigd, blijft daarvan in ons een levend weten over en een werkende liefde. Want buiten ons weten kunnen wij God niet bezitten en zonder liefdebeoefening kunnen wij met God niet verenigd worden noch verenigd blijven. Want, konden wij zalig zijn buiten ons weten, dan kon ook een steen, die geen bewustzijn heeft, zalig zijn. Dat ik heer van heel de wereld was en ik wist het niet : wat baatte het mij ?

In de zin van een kennis en van een gebruikelijke liefde, zoals we dat zonet hebben besproken, namelijk in verband met de contemplatie, kunnen we zeggen dat wanneer de actie niet verworteld is in de contemplatie, ze dan slechts een mechanisch gebeuren is, en dat daarentegen waar een authentieke contemplatie alle liefde (op een verborgen wijze) bevat, die zich dan ook terdege kan gaan manifesteren in de actie. Dit bereidt ons voor op de volgende ontwikkeling: het in stand houden van het werkelijke onderscheid tussen God en de ziel. Want wanneer deze gewoonte overgaat naar een daad, dan keert de perceptie van het onderscheid tussen God en onszelf terug tot het bewustzijn. Let wel, de perceptie van de andersheid van de ander komt weer terug, ook wanneer we iets voor hem doen, en niet enkel als we iets met hem doen.

Luisteren we nog even verder naar Ruusbroec zelf:

Wij moeten dus wel steeds onszelf bewust zijn en smakend en bezittend gevoelen. Dit bevestigt ons Christus zelf waar Hij tot zijn Vader aldus over ons spreekt: "Dit is het eeuwig leven, dat zij U alleen kennen als de waarachtige God, en Dien Gij gezonden hebt, Jezus Christus" (Jo., 17, 3). Daaruit kunt ge zien, dat ons eeuwig leven gelegen is in een bewust kennen.

Muziek nr7: (Deel III p.28) Alse wij aldus Gode gheënicht werden, hier-ave blijft in ons een 10 levende weten, ende eene werkende minne ; want sonder onse weten en moghen wij Gode niet besitten, ende sonder oefeninghe van minnen en moghen wij met Gode niet gheëenycht werden nocht gheënicht bliven. Want mochte wij salich sijn sonder onse weten, soe mochte oec een steen salich 15 sijn die en-gheen weten en heft. Dit ic heere van al eertrijcke ware, ende ics niet en wiste, wat holpe my dat ? Ende hier-omme sele wij ons emmermeer weten ende ghevoelen smakende ende besittende. Ende dit tuyscht ons Cristus selve daer Hi dus spreect van ons vore sinen Vader : "Dit 20 es, spreect Hy, eewich leven, dat sy Dy alleene bekinnen eenen ghewarighen God, ende Dien Du ghesonden hebste, Jhesum Cristum." Aldus moechdi merken dat onse eewighen leven gheleghet in kinnissen met ondersceede.

Tekst nr8:

Nu worden een aantal BIJZONDERE ASPECTEN aangepakt. Ten eerste "DE VERENIGING MET GOD IS GEEN VEREENZELVIGING". Eveneens is er VIERDERLEI ONDERSCHEID IN DE manier waarop wij God aanvoelen.

Hierboven zegde ik, dat wij één met God moeten zijn; ook de heilige Schrift getuigt het. Nu wil ik er duidelijk bijvoegen, dat wij eeuwig een ander, van God onderscheiden, moeten blijven; en ook dat getuigt de Schrift. Beide beweringen moeten wij bij onszelf begrijpen en aannemen, willen wij op de rechte weg zijn. Ik zeg derhalve zo : dat voor ons inwendig oog vanuit Gods aanschijn of vanuit ons opperste gevoel een klaarte schijnt, die ons de waarheid leert omtrent de liefde en omtrent alle deugden. Bijzonder wordt in deze klaarte geleerd hoe wij God en onszelf kunnen aanvoelen in vier onderscheiden bewustzijnsvormen.

Een iets te snelle lezing loopt hier het gevaar om het citaat van Johannes 17, 3 die Ruusbroec hier heeft aangehaald te verbinden met de perceptie van eenheid in verbondenheid, daar waar ze in realiteit een nieuwe ontwikkeling introduceert over het onderscheid in de verbondenheid, verbonden met het aspect van de kennis. Om de aandacht te vestigen op het aspect van de eenheid of verbondenheid, worden een heel stuk eerder een aantal bijbelteksten geciteerd: Kol. 3,3 en Apk. 14,13. "Nu wil ik er duidelijk bijvoegen" plaatst duidelijk deze twee ontwikkelingen naast elkaar.

"Voor ons inwendig oog (of toch beter: ons inwendig aanschijn, zoals Ruusbroec het verwoordt) vanuit Gods aanschijn of vanuit ons opperste gevoel een klaarte schijnt, die ons de waarheid leert omtrent de liefde en omtrent alle deugden". In het Middelnederlands klonk dit aldus: (Deel III p.28-29) "in onsen inwindeghen aenschine, uten aenschine Gods ochte ute onsen oversten ghevoelne, soe schijnt eene claerheit..."

Ruusbroec herneemt hier zijn bespiegeling met een woordspeling met schijnen en aanschijn, impliciet verwijzend naar Psalm 80: "... God, laat uw aanschijn oplichten en wij zijn gered." Of nog, met de dubbele betekenis van claerheit die zowel de klaarheid als de glorie van God aanduiden, verwijst hij eveneens naar het hele proces van vergoddelijking van de Christen volgens Sint-Paulus in 2 Kor 3, 18: "Het is ons, die met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een spiegel aanschouwen, gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker gelijkenis met Hem, door de Geest van de Heer." Dat "vanuit Gods aanschijn (of vanuit ons opperste gevoel) een klaarte schijnt" moet ons eraan herinneren dat volgens het antieke inzicht het zien evenzeer een uitstralen bevat als een ontvangen ervan. Dat verklaart meteen waarom de blik van God "ons de waarheid leert omtrent de liefde en omtrent alle deugden".

Muziek nr8: (Deel III p.28 v.27) Nochtans hebbe ic te-hans gheseghet dat wij één met Gode sijn, ende dat tuycht ons die Heylighe Scriftuere. Maer nu wille ic segghen dat wij een ander van Gode eewelijc 30 bliven moeten, ende dit tuycht oec die Scriftuere. Ende dit moeten wij beiden in ons verstaen ende ghevoelen sal ons recht sijn. Ende hier-omme segghe ic aldus, dat in onsen inwindeghen aenschine, uten aenschine (Deel III 29) Gods ochte ute onsen oversten ghevoelne, soe schijnt eene claerheit die ons die waerheit leert van minnen ende van allen duechden. Ende sonderlinghe in deser claerheit soe werden wij gheleert Gods ende ons te ghevoelne in 5 iiij manieren.

Tekst nr9:

We maken nog even ons commentaar af over dat inwendig oog, of beter inwendig aanschijn van de ziel, want:

Dit "inwendig aanschijn" van de ziel verwijst naar het "God zien van aangezicht tot aangezicht (in Gen. 32,31)" in hun ontmoeting. In de Geestelijke brulocht horen we het volgende (Deel I p.200 -v.20): "In dat diepste ghemoeten ende in dat innichste ende scaerpste bezuken wert elc gheest van minnen ghewont. Dese twee gheeste, dat es onse gheest ende Gods gheest, blicken ende lichten die een inden anderen, ende elc toent den anderen sijn aenschijn."

Daarenboven in de beschrijving van wat de contemplatief "ervaart" is Ruusbroec een onderscheid aan het maken tussen de inwendige gewaarwording verbonden met de groeiende verbondenheid tussen God en de ziel die neigt naar het verdwijnen van de verschillen, en een uitwendige gewaarwording verbonden met het verschil waarvan de ziel niet minder bewust is als de habituele liefde actueel wordt. De twee aanschijnen komen overeen met de twee simultane gewaarwordingen, want iets verder in de Geestelijke brulocht horen we (Deel I p.227 v.30): "Maer die mensche es ghelijc eenen spieghele die dobbel es, die in beyden siden beelden ontfeet. Want naden oversten deele ontfeet de mensche Gode met allen sinen gaven, ende na den nedersten deel ontfeet hi vanden sennen lijflijcke beelden."

Dit alles geeft ons weer heel wat stof tot nadenken. Wellicht is er heel wat dat we niet onmiddellijk goed hebben kunnen begrijpen, maar dat moet ons niet teveel afschrikken. In het Johannesevangelie horen we Jezus tijdens zijn afscheidsrede zeggen: "Ik heb jullie nog veel meer te zeggen, maar jullie kunnen het nog niet verdragen. De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid." (Joh. 16, 12-13a) Als de boeken en de teksten ons wel eens onbegrijpelijk overkomen moeten we de moed niet opgeven, maar de hulp van de Heilige Geest inroepen. Op zijn tijd zal Hij ons wel leren wat belangrijk is, en zullen misschien aan sommige van deze woorden plots gaan terugdenken en inzien wat Hij er ons mee wil leren.

Gezien we nog niet klaar zijn, zullen we volgende keer verder gaan met dit prachtig werk dat ons steeds verder wil helpen op de weg van ons geestelijk leven in de voetstappen van onze Heer Jezus Christus.

De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar komt grotendeels uit de recent verschenen Franstalige vertaling "La Pierre Brillante" van Pater Max Huot de Longchamp.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen. U kan ook steeds een van de laatste uitzendingen via internet beluisteren in een ietwat ingekorte versie.

Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.

Muziek nr9:

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.