Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
Tekst nr1:
Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". De voorbije edities hebben we de Zalige Jan van Ruusbroec, stevig ter hand genomen met het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen". We zullen nog veel dingen ontmoeten tijdens onze ontdekkingstocht onder zijn leiding.
Ook deze keer lezen we een paar stukjes in het Middel-Nederlands voor tijdens de muzikale intermezzo's om ons wat meer vertrouwd te maken met deze taal, en te kunnen genieten van het mooie literaire oeuvre van deze wonderbare en getalenteerde schrijver.
Nog steeds biedt het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen" ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van de Christelijke contemplatie. Ook nu nog hebben wij het moeilijk om op dat vlak door de bomen het bos te zien. De inwendige wereld die de onze is, is ons nochtans zeer onbekend. Om erin thuis te komen hebben we aan Ruusbroec de juiste gids. Jawel, veel verwarring heerst er deze dagen bij de zin-zoekende mens, en velen stellen zich voor als gids om op al die prangende vragen een antwoord te geven. Aan de zuivere intentie van Ruusbroec kunnen we niet twijfelen. Hij kan ook nu nog de in de war gebrachte zin-zoekers helpen met zijn werk. Zijn woordenschat is zoals we reeds hebben gezegd zeer origineel, zijn denken zeer persoonlijk en zijn spirituele scherpzinnigheid uitzonderlijk. Zijn bijnaam, de wonderbare heeft hij dan ook niet voor niets gekregen.
Uitgedaagd om zich beter verstaanbaar te maken bewijst hij ons een immense dienst in deze beknopte uitleg van zijn fundamentele cathegorieën. Ons werk zal er dan ook in bestaan om de uitleg die Ruusbroec zelf levert enkel goed weer te geven, en waar nodig wat te versterken en eventueel wat verder te ontwikkelen. Toch zal deze literatuur voor velen jammer genoeg ontoegankelijk blijven. En Jan van Ruusbroec is zich daar terdege van bewust.
Muziek nr1: Ende aldus mochdi merken dat die intreckende eenicheit Gods anders niet en es dan grondelose Minne die den Vader ende den Sone, ende al dat leeft in Hem, met minnen intreckende es in een eewich ghebruken. Ende in deser minnen wille wij berren ende verberen zonder inde in eewicheit ; want hier-inne es gheleghen alre gheeste salicheit. Ende hier-omme soe moeten wij al onse leven fondeeren op een grondeloes abis, soe moghe wij eewelijc in minnen sincken ende ontsincken ons-selven in die grondelose diepheit. Ender metter selver minnen sele wij hoghen ende onthoghen ons-selven in die ombegripelijcke hoocheit ; ende in die minne sonder wise sele wij dolen: ende si sal ons verleiden in die onghemetene wijtheit der minnen Gods. Ende daer inne sele wij vlieten ende ons-selven ontvlieten in die ombekinde welde der rijcheit ende der goetheit Gods. Ende daer inne selen wij smelten ende versmelten, wielen ende verwielen eewelijc in die glorie Gods.
Tekst nr2:
Laten we nogmaals luisteren naar de opmerking aan het einde van het eerste deel, waarin Ruusbroec het heeft gehad over de zondige mens, die door de algemene inwerking van Gods genade, wijsheid en kracht ontvangt om de zonde te vermijden en zich tot de deugd te bekeren. Maar de wil van de mens is daar wel voor nodig. God wil ons niet forceren zodat we niet uit vrijheid zouden handelen, maar als robots.
En zo gaat Ruusbroec verder met een heel positieve noot:
| En door het verborgen medewerken van Gods genade kan elk goed mens alle zonden overwinnen en aan alle bekoringen weerstaan en alle deugden beoefenen en tot in de hoogste volmaaktheid volharden , indien hij in alles de genade van God involgt. |
Ruusbroec spreekt hier over het volharden in de hoogste volmaaktheid, wat de bedoeling is van "De Blinkende Steen". Het is dus wel degelijk bereikbaar voor iedereen, zelfs als niet iedereen geroepen is om het even bewust te beleven. De heilige Onschuldige Kinderen zijn niet minder heilig dan de heilige Johannes van het Kruis, zelfs als het in hun slaap is dat ze werden geheiligd.
| Alles nu wat wij zijn en alles wat wij in- en uitwendig ontvangen hebben, het zijn allemaal vrije gaven van God, waarvoor wij Hem danken en waarmede wij Hem dienen moeten, willen wij Hem behagen. Er zijn echter vele gaven Gods, die voor de goeden een hulp en gelegenheid tot deugd, voor de kwaden integendeel een hulp en gelegenheid tot zonde zijn, zoals gezondheid, schoonheid, wijsheid, rijkdom en wereldse eer. Dit zijn de laagste gaven van God en de geringste in waarde, die God over 't algemeen schenkt tot nut zowel van zijn vrienden als van zijn vijanden, van goeden en van kwaden. En hiermede dienen de goede mensen God en zijn vrienden, de kwaden hun eigen vlees, de duivel en de wereld. |
Muziek nr2: Want al dat wij sijn ende al dat wij hebben ontvaen van buten ende van binnen dat sijn alle (Deel.III blz.14 v.1) die vrië gaven Gods daer wij Hem ave dancken selen, ende daer wij Hem mede dienen moeten, selen wij Hem behagen. Maer het sijn vele gaven Gods die den goeden sijn hulpe ende ocsuin ten doechden, ende den quaden sijn hulpe ende (v.5) ocsuin ten sonden, alse ghesonde, scoenheit ende wijsheit, rijcdom ende eere der werelt. Dit sijn die nederste ende onwertste gaven Gods, die God ghemeenlijc gheeft om orbore sinen vrienden ende sinen vianden, den quaden ende den goeden. Ende hier-mede dienen die goede menschen Gode (v.10) ende sinen vrienden, ende die quade haren vleesche ende den duvel ende der werelt.
Tekst nr3:
Nu verandert Ruusbroec zijn geweer van schouder, en geeft ons een aantal beelden waarin we kunnen zien hoe onze relatie met God kan zijn, en wat ze eigenlijk best zou moeten zijn. Hij vergelijkt onmiddellijk twee rolpatronen om beter te vatten wat hij wil zeggen.
In een eerste puntje vergelijkt hij Huurlingen met getrouwe dienaren. Laten we luisteren naar deze eerste uiteenzetting.
| Verder kan opgemerkt worden dat sommige mensen de gaven van God ontvangen als gehuurde knechten Gods en andere als getrouwe dienaren. Deze verschillen onderling en zijn elkaar tegengesteld in gans hun inwendige werkzaamheid, zoals die zich uit in minnen en bedoelen, in gevoelen en in heel hun verder beoefenen van het innerlijk leven. |
| Let er wel op : al de mensen, die zichzelf zo ongeregeld liefhebben, dat zij God niet anders willen dienen dan om eigen gewin en eigen profijt, die houden zich op afstand van God en blijven onvrij, belemmerd door eigenliefde. Want zij zoeken en beogen zichzelf in al hun doen en laten. Bijgevolg streven zij met al hun gebeden en goede werken slechts tijdelijke dingen na, of als zij eeuwige nastreven is het om eigenbaat en voordeel. |
| Deze mensen zijn ongeregeld gehecht aan zichzelf, en daarom blijven zij altijd met zichzelf alleen: want hun ontbreekt de gerechte minne, die hen verenigen zou met God en met al zijn geliefden. En al schijnen deze mensen de wet van God en van de heilige Kerk te onderhouden : zij onderhouden niet de wet der liefde! Want al wat zij doen, doen zij uit dwang en niet uit liefde, ten einde niet verdoemd te worden. En omdat zij zelf in hun binnenste ongetrouw zijn, wagen zij het niet op God te vertrouwen; integendeel hun innerlijk leven is: twijfel en angst, last en ellende. Zij zien immers ter rechterzijde het eeuwig leven, en dat vrezen zij te verliezen; en zij zien ter linkerzijde de eeuwige hel, en die vrezen zij te krijgen. Al dat bidden en al dat gezwoeg en al die goede werken, die zij verrichten om deze angst te verdrijven, het baat niet! Want hoe meer zij zichzelf ongeregeld beminnen, hoe meer schrik zij ook hebben voor de hel. En hieruit kunt gij besluiten, dat de vrees voor de hel voortkomt uit de eigenliefde, die zij voor zichzelf koesteren. |
Muziek nr3: :
Tekst nr4:
Ruusbroec zegt ons hier dat de mensen die het meest beducht zijn voor de hel, het meest riskeren erin te belanden, met "al dat bidden en al dat gezwoeg en al die goede werken"! Wat ons helpt om helderder te zien wat de ware natuur is van de hel. Niet een plaats van ondeugd, maar van eigenliefde of egoïsme. Zoals Sint Bernardus ons zegt in zijn derde preek in de tijd van de verrijzenis dat "Er geen egoïsme meer zal zijn, en er geen hel meer zal zijn."
Maar we zullen nu wel horen van Ruusbroec, dat er toch sprake is van de vreze Gods in de Bijbel. Hoe moeten we dat dan begrijpen? Laten we luisteren:
| Wel spreekt de Profeet en ook het boek der Wijsheid: "het begin der wijsheid is de vreze Gods" (Ps. 111, 11; Spreuken 1, 7; 9, 10). Maar dit geldt van de vrees, die beoefend wordt ter rechterzijde, waardoor men vreest de eeuwige zaligheid te verliezen. Deze vrees toch spruit voort uit de natuurlijke neiging, die elke mens in zich draagt om zalig te zijn, dit is : God te aanschouwen. En bijgevolg, al is die mens ontrouw aan God, toch zal hij, wanneer hij zichzelf in zijn binnenste gadeslaat, de neiging gewaar worden, die gaat van-uit hemzelf naar de zaligheid, die God is. En deze zaligheid vreest hij te verliezen, omdat hij zichzelf meer bemint dan God. Hij bemint de zaligheid als het ware in de verkeerde richting, om zichzelf; en daarom durft hij het niet aan, God te vertrouwen. Toch staat er geschreven, dat de vreze des Heren het begin der wijsheid is en een wet voor de ongetrouwe knechten Gods : omdat zij de mensen dwingt de zonde te vermijden en de deugd te begeren en goede werken te doen; en dit alles bereidt de mens van buitenaf voor om de genade Gods te ontvangen en om een getrouwe dienaar te worden. |
| Op hetzelfde ogenblik, waarop hij met Gods hulp zijn eigenliefde vermag te overwinnen, d.i. zo ledig te zijn van zichzelf, dat hij op God durft te vertrouwen voor al wat hij nodig heeft, - op diezelfde stond behaagt hij God zozeer, dat Hij hem zijn genade schenkt; en met de hulp dezer genade gevoelt hij gerechte minne, en de liefde verdrijft twijfel en angst en doet hem vertrouwen en hopen. En zo wordt hij een getrouwe dienaar, die in al zijn werken God beoogt en bemint. |
| Dat is het onderscheid tussen de getrouwe dienaars en de ongetrouwe. |
Muziek nr4: :
Tekst nr5:
Nu krijgen we een nieuwe vergelijking, tussen de trouwe dienaren waarvan daarnet reeds sprake, en vertrouwde vrienden.
| Vervolgens valt er een groot onderscheid op te merken tussen de trouwe dienaren en de vertrouwde vrienden van God. |
| Met de hulp van de genade Gods zijn de trouwe dienaren vast besloten de geboden Gods te onderhouden, dat is : gehoorzaam te zijn aan God en aan de heilige Kerk in allerlei deugden en goede zeden : en dit heet een uitwendig of een werkend leven. |
| De vertrouwde vrienden Gods echter verkiezen mét de geboden ook de levenbrengende raad van God te onderhouden; (Hier zijn niet bedoeld : de evangelische raden; maar Gods uitnodiging tot het inwendig leven.) dit is een zich liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer, met het bereidwillig verzaken van alles wat men buiten God met lust en liefde zou kunnen bezitten. Zulke vrienden roept en noodt God inwaarts en geeft hun inzicht in het inwendige met zijn veelzijdige en verborgen beoefening van het geestelijk leven. |
Dit "zich liefderijk inwendig hechten aan God" zoals Ruusbroec het ons leert, "tot zijn eeuwige eer, met het bereidwillig verzaken van alles wat men buiten God met lust en liefde zou kunnen bezitten" laat ons begrijpen waar het geestelijk leven precies begint. Als inderdaad het leven van de trouwe dienaars van buiten uit geregeld wordt doorheen de geboden van God, dan is het leven van de vertrouwde vrienden geregeld door het begrijpen van het welbehagen Gods, wat enkel mogelijk is binnen een liefderelatie. Het is het verschil tussen dingen doen uit plicht, of ze te doen uit liefde, tussen de algemene roeping en deze van de rijke jongeling (Mt. 19, 16-22).
Muziek nr5: Maer die heimelijcke vriende Gods si verkiesen, met den gheboden, te houdene die levende rade Gods, dat es een minlijc inwindich ane-cleven ane Gode te sijnre eewigher eeren, met eenen willighen vertyene alle dies datmen buyten Gode met loste (Deel.III, pag.16, v.25) ende met liefden besitten mochte. Alsulcke vriende roept ende noedt God inweert, ende leert hem onderscheet in inwindigher oefeninghen, ende menighe verborghen wise gheestelijcs levens. Maer sine knechte sendt Hi uutwert opdat si Hem ghetrouwe sijn, ende sire familiën, in allen dienste (v.30) ende in allen manieren van uutwendighen goeden werken. Siet aldus gheeft God sine ghenade ende sine hulpe na yeghelijcs menschen hebleecheit, dat es na alre wijs dat die mensche met Gode eendrachtich es, in uutwindighen goeden werken ochte in inwindigher goeder oefeninghen van minnen.
Tekst nr6:
Laten we nog even voortdenken over dit "zich liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer".
Men begrijpt dat er geen merkbare contemplatieve ontwikkeling kan bestaan tenzij binnen deze tweede roeping, want Christus volgen en niet slechts zijn weg volgen, veronderstelt dat we de persoon niet uit het oog mogen verliezen. Dit verondertelt dus het zich "liefderijk inwendig hechten aan God tot zijn eeuwige eer." En waar niemand vrijgesteld wordt om een trouwe dienaar van God te zijn, veronderstelt het worden van een vertrouwde vriend een vrij en vrijwillig aanvaarden, zoals het voorbeeld van de rijke jongeling ons laat zien: "Als je wil...", zegt Jezus tot hem. Een beetje verder preciseert Ruusbroec: "want hij heeft (de rijke jongeling) een op het uitwendige afgestemde levenswijze verkozen." Zijn weigering is geenszins het gevolg van een straf, hij zal niet worden onthouden van het eeuwige leven (Jezus heeft ons in tegendeel net gezegd dat om het eeuwige leven te bekomen het volstaat de geboden na te leven), maar hij zal de vreugde van de goddelijke intimiteit moeten missen.
Mag men dan wel zeggen dat gehoorzamen aan zulk een roeping facultatief is? ... Ja indien het hier enkel te doen is om het contract tussen schepper en schepsel te respecteren, maar ... NEEN, indien men beseft dat de roeping van elke mens erin bestaat een liefdesrelatie met God te beleven! De keuze om een trouwe dienaar te blijven daar waar men kan leven als een vertrouwde vriend, is zeer theoretisch. Zoals de rijke jongeling bedroefd heengaat, zo vervult het leven van hen die weigeren als een vertrouwde vriend te zijn zich met bitterheid. "Uitgekeerde mensen oordelen en beknibbelen vaak de ingekeerde" zoals Ruusbroec het wat verderop zal opmerken als hij het voorbeeld van Martha en Maria aanhaalt. En dit omdat "Dat éne ding, voor alle mensen noodzakelijk, de goddelijke minne is." De liefde overstijgt elk onderscheid tussen dienaar en vriend, zelfs als het jammergenoeg zo is dat de meerderheid zich veeleer zal geroepen voelen om meer dienaar dan vriend te zijn. En aldus vinden we hier het klein aantal terug tot wie Ruusbroec zich richt: dezen voor wie we de term "contemplatief" veelal voorbehouden, en onder hen de "mystiekers". Nogmaals, alle roepingen zijn in feite contemplatieve roepingen. Het verschil dat we aantreffen is er een van intensiteit, en niet een (verschil) van natuur.
Negatief staat Ruusbroec evenmin tenopzichte van de trouwe dienaars. Luisteren we wat hij ons verder onderricht.
| Zijn dienaren echter zendt Hij(God) uitwaarts, opdat zij Hem getrouw zouden wezen en zijn gezin, de christenheid, met dienstbetoon en alle slag van uitwendige goede werken behulpzaam zouden zijn. |
| Zo geeft God zijn hulp en genade naar ieders geschiktheid, dat is, naar de wijze waarop men aan God gelijkvormig is, hetzij in uitwendige goede werken of in inwendige beoefening van de liefde. |
Muziek nr6: :
Tekst nr7:
| Niemand nu kan zich toeleggen op de oefeningen van het inwendig leven noch dit in zich ervaren, als hij niet geheel en al tot God is ingekeerd. Want zolang de mens in zijn hart verdeeld is, blijft hij naar buiten gekeerd en ongestadig in zijn gemoed en wordt hij ook licht bewogen door lief en leed in tijdelijke dingen; want die leven nog in hem. En al komt hij de geboden Gods na, toch blijft hij nog steeds van binnen onverlicht en ongeleerd; want hij beseft niet wat inwendig leven is noch hoe men het moet beoefenen. Als hij maar weet en voelt dat hij het goed meent met God en Gods liefste wil in al zijn werken begeert te volbrengen : dan is hij al tevreden; want hij is zich bewust oprecht te zijn in zijn dienst. En om deze twee punten schept hij behagen in zichzelf en dunkt het hem, dat uitwendige werken met zuivere mening verricht heiliger en nuttiger zijn dan inwendige gebedsoefeningen : want hij heeft met Gods hulp een op het uitwendige afgestemde levenswijze verkozen. En dit is de reden, waarom hij meer aandacht en overleg besteedt aan uitwendige werken dan aan Hem, om Wie hij met innige liefde werkt, en dat zijn geest meer bezig is met de werken, die hij doet, dan met God, om Wie hij ze doet. Wegens die verbeeldheid in zijn werken blijft hij dan ook een uitwendig mens en is hij niet in staat Gods raad op te volgen. Zijn werkzaamheid is immers meer uitwendig dan inwendig, meer zinnelijk dan geestelijk. En al is hij een getrouwe dienaar Gods in uitwendige dienst, - wat de vertrouwde vrienden Gods ervaren, dat blijft hem verborgen. Dat soort grove, uitgekeerde mensen oordelen en beknibbelen vaak de ingekeerde : hun dunkt dat die werkeloos zijn. Dat was ook de reden, waarom Martha bij ons Heer klaagde over haar zuster Maria, dat deze haar niet hielp dienen. Zij dacht dat zij zich zeer verdienstelijk maakte en dat haar zuster daar maar werkeloos voor niet bijzat. Maar onze Heer sprak over beide zijn mening en oordeel uit. Hij berispte Martha, niet om haar dienst, want die was goed en nuttig; maar Hij berispte ze om haar bekommerdheid, en omdat ze bedrukt en bedroefd was door de beslommeringen van haar uitwendig werk. En Maria prees Hij om haar inwendige bezigheid en zei, dat één ding nodig was, en dat zij het beste deel had verkozen, dat haar niet ontnomen zou worden. |
| Dat éne ding, voor alle mensen noodzakelijk, is de goddelijke minne. Dat beste deel is het inwendig leven met minnelijk aanhangen aan God. Dat had Maria Magdalena verkozen en dat verkiezen nog de vertrouwde vrienden van de Heer. Maar Martha verkoos een eenvoudig, uitwendig werkend leven. Het is het ander deel, waar men God in dient, dat niet zo volkomen noch zo goed is ; en dat deel verkiezen ook nu nog de trouwe dienaren om de liefde van de Heer (vgl. Lc 1o, 38-42). |
Muziek nr7: Dat een dinc dies noot es alle menschen, dat es godlijcke minne. Dat beste deel dat es een inwindich leven met minlijcken aenclevene ane (Deel.III, pag.18, v.10) Gode. Dat hadde Maria Maegdelena vercoren, ende dat verkiesen noch die heimelijcke vriende Ons Heeren. Maer Martha die vercoes een ongheveynst uutwendich werkende leven ; ende dat es dat ander deel daer men Gode inne dient, dat soe volcomen noch soe goet niet en es. Ende dit deel verkiesen (v.15) noch die ghetrouwe knechte omme die minne Ons Heeren.
Tekst nr8:
| Nu vindt men echter van die dwaze mensen, die zo innig en zo ledig beweren te zijn, dat zij niet willen werken noch hun evenmens in zijn nood bijstaan. Zulke mensen zijn noch vertrouwelingen noch getrouwe dienaren van ons Heer, maar zij zijn totaal mis en bedrogen. Want niemand kan Gods raad involgen als hij niet eerst Gods gebod wil onderhouden. Daarom dan ook zijn de vertrouwde vrienden van ons Heer, waar het er op aan komt, tevens getrouwe dienaren. Maar alle getrouwe dienaren zijn daarom nog geen vertrouwde vrienden; want de oefening, die daartoe behoort, blijft hun onbekend. |
Deze dwaze mensen zijn de verlichtten die Ruusbroec aanklaagt in het "Boeksken der verklaringen". (Zie commentaar 7 en complementaire tekst 12).
Hier waarschuwt Ruusbroec ons voor de verwaandheid, of zelfs arrogantie van de verlichtten van zijn tijd: de sectarische beweging van "de vrije geest". Hij noemt ze nergens bij naam, maar de geschiedschrijver Pomerius, verwijst naar een zekere Bloemardinne die een niet kerkelijke vorm van mystiek promootte. Ze ontkenden elke rol van de beelden, en elke vorm van de verbeelding in het geestelijk leven, ten voordele van een soort pantheistische mentale fusie. Met de hele kerkelijke traditie dat de beelden (hieronder verstaan we alles wat we mentaal kunnen vatten en niet enkel het product van onze verbeelding) (dat de beelden dus) goed zijn, en onvermijdelijk zolang de geest actief is in het gebed. Deze activiteit domineert gewoonlijk de beginfase van een geestelijk leven, maar men moet zich ook niet forceren om ze te produceren. Men mag er zich echter evenmin aan hechten, gezien ze op een zeker moment de relatie tot God zullen verhinderen, daar waar ze in het begin geholpen hebben om die relatie tot stand te brengen. De afkeer om te blijven mediteren is bijvoorbeeld het eerste teken van een authentieke contemplatie voor Sint-Jan-van-het-Kruis.
Het afkeuren van deze sektarische beweging en haar illuminisme dat een steeds weerkerende temptatie is van de spiritualiteit in de hele geschiedenis, komt geregeld terug bij Ruusbroec. Het is het hoofdthema van zijn "Boekje van de verklaringen", die hij schreef als antwoord op de opmerkingen die zijn allereerste werk, "Het Rijcke der Ghelieven" bij velen opriep.
| Daarmee (besluit Ruusbroec) hebt gij dan het verschil tussen vertrouwde vrienden en getrouwe dienaren van ons Heer. |
Muziek nr8: :
Tekst nr9:
Ziezo, de tijd is weer bijna om. We zijn deze keer nogmaals stil blijven staan bij de Brabantse figuur van Jan van Ruusbroec. We hebben maar een heel klein stukje hernomen van de vorige keer, en een eindje verder gelezen uit zijn werk "De Blinkende Steen". Daarin spreekt hij ons over de manier waarop onze relatie tot God gestalte kan krijgen. D rijkdom van deze teksten geeft ons zeker weer heel wat stof tot nadenken en sterke beschouwingen om over te mediteren.
De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar komt grotendeels uit de recent verschenen Franstalige vertaling "La Pierre Brillante" van Pater Max Huot de Longchamp.
Volgende keer gaan we verder lezen uit dit prachtig werk dat ons verder wil helpen op de weg van ons geestelijk leven. Dit werk is maar een klein (maar niet verwaarloorbaar) deeltje van de ruime schat die de Kerk rijk is aan geestlijke literatuur.
Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen.
Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.
Muziek nr9:
_____________
U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.