Binnenskamers

Zevenentwintigste editie
Jan van Ruusbroec (1293-1381): "De Blinkende Steen" - Vervolg 2.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Tekst nr1:

Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". Vorige keer hebben we de Zalige Jan van Ruusbroec, verder in de aandacht gebracht. We gaan weer verder met onze ontdekkingstocht onder zijn leiding. We zien een zeer getalenteerde schrijver aan het werk, die onze taal zelfs een heel stuk heeft mee gesmeed tot wat het geworden is. Mystiekers zien zich genoodzaakt om de taal onder maximale spanning te zetten opdat ze toch iets van het onzegbare van die Gods-ontmoeting onder woorden zouden kunnen brengen.

Vandaag lezen we nu en dan een paar stukjes in het Middel-Nederlands voor tijdens de muzikale intermezzo's. Deze komen hopelijk voldoende uit om te kunnen genieten van het mooie literaire talent van deze wonderbare en getalenteerde schrijver.

Het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen" biedt ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van de Christelijke contemplatie. Ruusbroec komt er zijn in de war gebrachte lezers te hulp met dit werk. Zijn woordenschat is zeer origineel, zijn denken zeer persoonlijk en zijn spirituele scherpzinnigheid is uitzonderlijk.

Uitgedaagd om zich beter verstaanbaar te maken bewijst hij ons een immense dienst in deze beknopte uitleg van zijn fundamentele cathegorieën. Ons werk zal er dan ook in bestaan om de uitleg die Ruusbroec zelf levert enkel goed weer te geven, en waar nodig wat te versterken en eventueel wat verder te ontwikkelen.

We hernemen de paar korte samenvattingen die Ruusbroec zelf maakte in het begin van de stukjes die we reeds hebben aangesneden om ons geheugen op te frissen en ons beter te kunnen situeren waar we aangekomen zijn.

Muziek nr1:

Tekst nr2:

Laten we even herhalen dat de titel van het werk "DE BLINKENDE STEEN" heet, en dat het handelt OVER DE VOLMAAKTHEID DER KINDEREN GODS, of ook nog anders geformuleerd dat het OVER HET MYSTIEKE ZOONSCHAP handelt.

De eerste samenvatting klonk als volgt:

De mens, die in de volmaaktste staat der heilige Kerk wil leven moet zijn :
- een ijvervol goed mens;
- een inwendig geestelijk mens;
- een verheven godschouwend mens
en tegelijkertijd een (in liefde') uitvloeiend gemene mens.
Wanneer deze vier dingen in een zelfde mens verenigd zijn dan leeft hij in een volmaakte staat, en dan neemt hij gestadig toe in genade, in alle deugden en in de kennis van de waarheid voor God en alle rechtschapen mensen.

De tweede samenvatting die we hebben aangetroffen klonk zo:

Wil nu zulk een goed mens bovendien ook een inwendig mens worden dan worden nog drie andere dingen vereist :
het eerste is : onverbeeldheid van hart.
het tweede : een geestelijke vrijheid of zuiverheid in zijn verlangens:
het derde : dat hij een inwendige ening met God gevoele.
Hieraan onderzoeke zich ieder, die meent een geestelijk mens te zijn.

Nu krijgen we de laatste samenvatting die we hoorden. Hier wordt gesproken OVER EEN GODSCHOUWEND LEVEN dat eveneens voorgesteld wordt IN DRIE PUNTEN DIE EEN GODSCHOUWEND MENS UITMAKEN

Verder moet gij weten dat, zo deze geestelijke mens een godschouwend mens wil worden, daartoe ook weer drie dingen behoren.
Ten eerste : hij moet de grond van zijn wezen als grondeloos aanvoelen en die ook als dusdanig bezitten.
Ten tweede : zijn oefenen moet wijzeloos zijn.
Ten derde: zijn inwonen moet een goddelijk genieten zijn.
Geeft nu wel aandacht, gij, die in de geest wilt leven; want tot niemand anders spreek ik.

Muziek nr2:

Tekst nr3

Hopelijk zijn jullie luisteraars allen mensen die in de geest willen leven, en dus geïnteresseerd zijn om aandachtig te luisteren naar wat Ruusbroec ons wil overbrengen. Gezien hij zich geregeld heeft moeten verantwoorden voor gedurfde uitspraken, verwittigt hij altijd dat hij wellicht verkeerd zal worden geïnterpreteerd door degenen die niet het minst thuis zijn in deze contemplatieve beleving.

In het volgende paragraafje dat we hernemen van de vorige keer, zien we het eigenlijke contemplatieve leven tot stand komen. Tot daartoe voelde de "geestelijke en innerlijke mens" zich verenigd met God, maar in een zekere zin op een negatieve manier, zoals Mozes voor het brandend braambos voordat God tot hem gesproken heeft. De contemplatie van de spirituele mens treedt in "waar hij zich één leven gevoelt met God". Op hetzelfde ogenblik "openbaart (God) zich aan de geest als zijnde zonder grond". God wordt hier ervaren als grondeloos, zoals Ruusbroec het elders zal verwoorden. In de Efeziërsbrief hoofdstuk 3, verzen 17-19 vinden we hiervan de fundering in de schrift: "Zodat Christus door het geloof woont in uw hart, en u in de liefde geworteld en gegrondvest blijft. Dat u in staat mag zijn om samen met alle heiligen te vatten wat de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte is, en dat u in staat bent de liefde te kennen van Christus, die alle kennis te boven gaat; dat u geheel vervuld wordt van de volheid van God." De gehele "Blinkende Steen" becommentarieert deze passage van de Efeziërsbrief, die we ook elders in zijn werken tegenkomen als Ruusbroec deze liefde in al zijn dimensies wil ontwikkelen.

De ening, die de geestelijke mens met God ervaart, openbaart zich aan de geest als zijnde zonder grond, dat is : mateloos diep en boven mate hoog en lang en breed. In die openbaring wordt de geest gewaar, dat hij aan zichzelf door minne ontzonken is in de diepte, ontstegen in de hoogte, ontgaan in de lengte; hij voelt zichzelf aan als dolend in de wijdte; het is als was hij wonende in de onbekende bekendheid, als was hij door het gevoel van deze ening aan zichzelf ontvloten in de eenheid, en, door alle sterven heen, verzonken in het levende leven van God. Daar gevoelt hij zich één leven met God. Dit is de grondslag en de eerste vereiste van een schouwend leven.

Muziek: nr4

Nu vervolgt Ruusbroec:

Hieruit ontspringt het tweede punt, te weten, een oefening boven rede en zonder wijze. Want de eenheid Gods, die elke schouwende geest door minne in bezit genomen heeft, trekt onophoudelijk en dwingend-eisend de goddelijke Personen en alle minnende geesten binnen haar eigen Zelfheid in. Dat intrekken ervaart ieder die mint in mindere of meerdere mate naargelang zijn liefde en naar de wijze van zijn werkzaamheid. Wie dit intrekken ervaart, kan niet in doodzonde vallen, zolang hij daarin gevestigd blijft.

"Een oefening", of "een manier van zijn boven rede en zonder wijze"! Tot hiertoe had de ziel het initiatief had in de relatie tot God, doordat ze haar mentaal leven regelde in funcite van de rede, en het canaliseerde volgens haar eigen intuïties, dat wil zeggen volgens bepaalde wijzes. Maar onder het regime van de contemplatie, is het voortaan God die het initiatief neemt. De ziel moet nu enkel ontvankelijk zijn voor diegene die boven rede en zonder wijze tot haar komt. Deze uitdrukking zal terugkomen bij Ruusbroec zodra hij een contemplatieve situatie moet schetsen. Ze duidt geenszins een ongedefinieerdheid of een vage staat van het bewustzijn, maar de goddelijke vrijheid in zijn dialoog met de ziel.

De uitdrukking "sonder wise" of "wiseloos", komt van de "sine modo" van Sint Bernardus in zijn befaamd traktaat: De diligendo Deo: "De oorzaak waarvoor God bemind moet worden is God zelf ! en wat de wijze betreft (de modus): hem beminnen zonder wijze (sine modo)." Men heeft deze sine modo vaak vertaald als "zonder maat", wat op zich niet verkeerd is, maar omdat deze afwezigheid van maat vooreerst een afwezigheid van wijze - in de zin van alle mogelijke wijzes - wat Ruusbroec goed zal laten uitkomen door de absolute beschikbaarheid te beschrijven van de contemplatieve ziel. Ze zinkt niet weg in een mentale mistbank, maar vordert voortaan in het geloof, enkel naar het goede believen van God. Verwijzend naar deze tekst van Sint-Bernardus schrijft Meester Eckhart het volgende: "Hoe we God moeten liefhebben, dat is zonder wijze, hem beminnen zoveel als we kunnen, dat is zonder wijze." (Preek 9)

Muziek: Daer die gheest berrent in minnen, eest dat hi hem-selven merct, hi vint onderscheet ende anderheit tusschen hem ende Gode ; maer daer hi verberent, daer es hi eenvoldich, ende en heeft gheen ondersceet, ende daer-omme en ghevoelt hi anders niet dan eenheit. Want die onghemetene vlamme der minnen Gods, si verteert ende verslint al dat si bevaen mach in haers selfsheit.

Muziek: nr5

Het eeuwig inmanen der Eenheid Gods ontsteekt in de geest een eeuwige brand van minne. En als de geest zonder ophouden zijn schuld betaalt, dan bewerkt dit in hem een eeuwig opbranden. Want bij de overvorming door de Eenheid schieten alle geesten in hun werkzaamheid te kort en worden zij anders niet meer gewaar dan een opbranden in de eenvuldige Eenheid Gods.
Deze eenvuldige Eenheid kan niemand gevoelen noch bezitten, als hij niet vóór God staat in ongemeten klaarheid en in minne boven rede en zonder wijze. Bij dit vóór God staan gevoelt de geest in zich een eeuwige brand van minne, en aan deze minne-brand ontwaart hij einde noch begin en hij gevoelt zichzelf één met deze minne-brand.
Zo blijft de geest zonder ophouden brandend in zichzelf, want zijn minne is eeuwig; en zonder ophouden ook voelt hij zich opbranden in minne. Want hij wordt getrokken in de overvorming door de eenheid Gods.

Het volgende paragraafje dat we vorige keer als laatste hebben gelezen hoorden we tijdens het vorige muziekstukje in het Middel-Nederlands, maar we beluisteren het nogmaals in het hedendaags Nederlands. Het zal de link leggen met het derde deeltje van die laatste samenvatting, en thevens het laatste stuk van het eerste deel van zijn werk "De blinkende steen".

Waar de geest, die in minne brandt, bewust in zichzelf keert, ontwaart hij onderscheid en anderheid tussen hem en God; maar waar hij opbrandt is hij eenvuldig en neemt geen onderscheid waar; want hij gevoelt niets dan eenheid : de ongemeten vlam der minne Gods verteert en verslindt al wat zij grijpen kan in haar Zelfheid.

(opmerking 17 en 19 van Max) Ruusbroec speelt met de woorden "brant", "berren" en "verberren". Het verschil tussen branden en verbranden is deze van het vuur (actief) en de wiek (passief), die samen de vlam mogelijk maken. Ruusbroec beschrijft hier de bijzonder delicate schets van elk geestelijke leven: de liefde is tegelijkertijd actief en passief. Hij brandt en produceert energie, actief dus; maar eveneens passief, want hij verbrandt en verbruikt energie. Actie en contemplatie zijn niet twee fases van de liefde, maar twee kanten, de ene werkzaam, de andere genietend. Het hele tweede deel van dit werk van "De blinkende Steen" handelt daarover. Deze dubbele gewaarwording beantwoordt aan deze twee zijden van de liefde als actie en contemplatie, zoals branden en verbranden, of beter opbranden. Concreet wilt dit zeggen dat in het beminnen van God, de minnende ziel zich in zekere zin in Hem verliest, zoals een kind dat zich steeds dichter zou willen wegdrukken in de armen van diens moeder. En wel zodat waar ze opbrandt, ze niets anders voelt dan die eenheid; maar daar waar diezelfde liefde haar liefdedaden doet stellen tot God en / of diens broeders en zusters, voelt die alles wat er ontbreekt en zal blijven ontbreken aan diens liefde. Daar "waar de geest, die in minne brandt, bewust in zichzelf keert, ontwaart hij onderscheid en anderheid tussen hem en God."

Muziek: nr6

Nu sluiten we hierbij het laatste stukje aan van wanneer "deze geestelijke mens een godschouwend mens wil worden, namelijk dat zijn inwonen moet een goddelijk genieten moet zijn.

Zo zult gij merken, dat de intrekkende Eenheid niets anders is dan de grondeloze Minne, die de Vader en de Zoon en al wie in Hem leeft minnelijk intrekt in een eeuwig genieten. In deze minne willen wij branden en verbranden zonder einde in eeuwigheid; want hierin is aller geesten zaligheid gelegen ! Daarom moeten wij heel ons leven grondvesten op een grondeloze Afgrond : dan kunnen wij eeuwig in Minne verzinken en aan onszelf ontzinken in de grondeloze Diepte. Met dezelfde Minne moeten wij opstijgen en aan onszelf ontstijgen in een onbegrijpelijke Hoogte; en in de wijzeloze Minne zullen wij ronddolen, maar zij zal ons geleiden in de ongemeten wijdte der Minne Gods. En daarin zullen wij vluchten en onszelf ontvluchten in de onbekende weelde van de rijkdom en de goedheid Gods. En daarin zullen wij eeuwiglijk smelten en versmelten, en in de glorie Gods als in een kolk verzwonden worden.
Let wel: in al deze vergelijkingen, die voorafgaan verduidelijk ik aan de schouwende mens zijn toestand en zijn beleving. Maar niemand anders kan dit verstaan : want een schouwend leven vermag niemand anderen te leren. Waar echter de eeuwige Wijsheid zich aan de geest openbaart, daar wordt meteen alles geleerd wat nodig is.

Het is dit verborgen aspect van het authentieke contemplatieve leven dat de inleiding op het citaat van de apocalyps (die zijn naam aan dit werk gegeven heeft) zal motiveren. De steen waarop een naam geschreven is die niemand kent dan degene die het ontvangt. Dit contemplatief geheim is dus het dominante thema van De Blinkende Steen, evenals in De Geestelijke Bruiloft. Hij steunt op het thema dat onmiddellijk zal worden uitgewerkt over de incognito van Jezus tijdens zijn aardse leven. De tijdgenoten van Jezus waren zich van niets bewust, evenals vandaag herkennen we Hem niet in "de kleinsten onder de zijnen" (Mt.), of nog onder de gedaanten van brood en wijn in de eucharistie. Nog steeds is het de Vader die ons de Zoon openbaart. Dit es weerom een thema van De Blinkende Steen dat culmineert met de toewijzing van de Zoon op de berg Tabor, de berg van de contemplatie.

Tijdens het volgende stukje muziek horen we weer een deeltje in het Middel-Nederlands. Luister goed naar de prachtige literatuur die ons hier door Ruusbroec wordt geserveerd!

Muziek: Ende aldus mochdi merken dat die intreckende eenicheit Gods anders niet en es dan grondelose Minne die den Vader ende den Sone, ende al dat leeft in Hem, met minnen intreckende es in een eewich ghebruken. Ende in deser minnen wille wij berren ende verberen zonder inde in eewicheit ; want hier-inne es gheleghen alre gheeste salicheit. Ende hier-omme soe moeten wij al onse leven fondeeren op een grondeloes abis, soe moghe wij eewelijc in minnen sincken ende ontsincken ons-selven in die grondelose diepheit. Ender metter selver minnen sele wij hoghen ende onthoghen ons-selven in die ombegripelijcke hoocheit ; ende in die minne sonder wise sele wij dolen: ende si sal ons verleiden in die onghemetene wijtheit der minnen Gods. Ende daer inne sele wij vlieten ende ons-selven ontvlieten in die ombekinde welde der rijcheit ende der goetheit Gods. Ende daer inne selen wij smelten ende versmelten, wielen ende verwielen eewelijc in die glorie Gods.

Muziek: nr7

We lezen nu wat door velen reeds de inleiding van het TWEEDE DEEL wordt aanzien, maar dat eveneens als besluit van het eerste deel mag worden begrepen. Het geeft verdere BIJZONDERHEDEN OVER HET DERDE PUNT: HET GOD-SCHOUWENDE LEVEN.

We lezen het deze keer zonder commentaar, en zullen dit stukje volgende keer weer opnemen. Hier wordt HET SYMBOOL VAN DE "KOSTBARE 'TERDELINC'" uit de Apoc. 2, 17 aangehaald en besproken.

Hierover spreekt de Geest van onze Heer in het boek van de Openbaring van Sint Jan: 'De Overwinnaar' - d.i. degene, die zichzelf in alle dingen zegevierend overstijgt - dien "zal ik geven een verborgen hemels brood", d.i. inwendige verholen smaak en hemelse vreugde - "en ik zal hem geven een blinkend steentje, en in dit steentje een nieuwe naam gegrift, die niemand kent dan die hem ontvangt" (Openb. 2, 17). Dit steentje wordt "terdelinc" genoemd om zijn kleinheid; want men treedt of 'terdt' er op met de voeten, zonder dat het pijn doet. Dit edelsteentje is blinkend klaar en rood als een vurige vlam; en het is klein en rond, en aan alle kanten effen en zeer licht.
Door die blinkende steen verstaan wij onze Heer Jezus Christus. Immers naar zijn Godheid is Hij een straal van het eeuwig Licht (Wijsh. 7, 26) en een afglans van de heerlijkheid Gods en een spiegel zonder vlek (Hebr. 1, 3), waar alle dingen in leven. Wie dus alle dingen overstijgt en overwint, hem wordt deze blinkende steen gegeven en daarin ontvangt hij klaarheid, waarheid en leven. Deze steen gelijkt ook op een vurige vlam; want de vurige minne van het eeuwige Woord heeft heel het aardrijk vervuld van minne en wil alle minnende geesten te niet doen opbranden in minne.
Dit steentje is ook zo klein, dat men het nauwelijks gewaar wordt al trapt men er op; daarom heet het "calculus" d.i. "terdelinc". En dit bedoelt Sint Paulus wanneer hij schrijft, dat de Zoon Gods "zichzelf vernietigd en gering gemaakt heeft en de gestalte van een knecht heeft aangenomen en gehoorzaam geworden is tot de dood aan het kruis" (Pil. 2, 7-8). En Hij spreekt zelf door de mond van de Profeet: "Ik ben een worm en geen mens, een voorwerp van hoon en een verworpene door het volk" (Ps. 22, 7). Bij zijn verschijning in de tijd maakte Hij zich zo klein, dat de Joden Hem onder hun voeten vertrapten en het niet voelden. Want hadden zij in Hem Gods Zoon herkend, nimmer hadden zij Hem durven kruisigen (Vgl. 1 Kor. 2, 8). En ook thans nog is Hij klein en gering geacht in de harten van de mensen, die Hem niet beminnen.

Muziek: Dit steenken es ghenoemt een terdelinc om sine cleynheit, want al terdet die mensche onder sine voete, het en doet hem niet wee ; dit steenken es blinckende claer ende roet alse een vierighe vlamme, ende het es cleyne ende ront ende effene alomme ende herde licht. Met desen blinckenden steenken verstaen wij Onsen Heere Jhesum Cristum ; want na sire godheit soe es Hi een blic des eewichs lichts ende en schijn der gloriën Gods, ende en spieghel sonder vlecke daer alle dinghe in leven. Soe wie dat alle dinc verwint ende overclemt, hem wert dese blinckende steen ghegheven ; ende daer-inne ontfeet hi claerheit, waerheit, ende leven.

Muziek: nr8

Dit edel steentje, waar ik u over spreek, is geheel rond en rondom effen. De rondheid ervan leert ons, dat de goddelijke Waarheid begin noch einde heeft; en de effenheid rondom, dat Hij alle dingen op gelijke schaal zal wegen, d.i. eenieder zijn verdiende loon zal geven en voor ieder zal het eeuwig zijn.
De laatste eigenschap, die ik aan deze steen wil toekennen, is dat hij buitengewoon licht is. Want het eeuwige Woord des Vaders heeft geen gewicht, al draagt Het hemel en aarde in zijn kracht. Het is ook alle dingen even nabij, al kan niemand Het achterhalen; want Het overstijgt alle schepselen en bestaat vóór alle en Het zal Zich alleen openbaren aan wie en waar Het wil. En in zijn lichtheid heeft onze zware mensheid alle hemelen overstegen en zit gekroond aan de rechterhand zijns Vaders.
Dat is de blinkende steen, die de schouwende mens gegeven wordt. En in deze steen is er een nieuwe naam gegrift, die niemand kent dan die hem ontvangt.
Hiervoor moet gij weten, dat alle geesten bij hun terugkeer naar God een naam ontvangen, ieder zijn eigen naam, naar de edelheid van zijn dienst en de verhevenheid van zijn minne; anders dan de eerste naam der onschuld, die wij in het doopsel ontvangen: die is nl. gesierd met de verdiensten van Christus onze Heer.
Mochten wij deze naam der onschuld door de zonde verliezen, maar toch wederom God willen volgen, voornamelijk in drie werken, die Hij in ons wil volbrengen, dan worden wij opnieuw gedoopt in de Heilige Geest en dan ontvangen wij een nieuwe naam, die ons eeuwig bijblijft.

Muziek:

nr9

Ziezo, deze uitzending is weer bijna om. We zijn deze keer weerom stil blijven staan bij de Brabantse figuur van Jan van Ruusbroec. We hebben een stukje hernomen van de vorige keer, en een stukje verder gelezen uit zijn werk "De Blinkende Steen". Daarin spreekt hij ons meer en meer over "HET GOD-SCHOUWENDE LEVEN". Dit alles geeft ons zeker heel wat om over na te denken, en om over te mediteren.

De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De commentaar komt grotendeels uit de recent verschenen Franstalige vertaling "La Pierre Brillante" van Pater Max Huot de Longchamp.

Volgende keer zullen we het laatste stuk hernemen, maar dan met hier en daar wat commentaar, en zullen we eveneens wat verder lezen uit dit prachtig werk. Het zijn teksten die ons verder willen helpen op de weg van ons geestelijk leven. Ze maakt deel uit van de ruime schat die de Kerk rijk is aan geestlijke literatuur.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen.

Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.