Binnenskamers

Zesentwintigste editie
Jan van Ruusbroec (1293-1381): "De Blinkende Steen".

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

nr1

Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". Vorige keer hebben we de zeer belangrijke figuur van Jan van Ruusbroec de wonderbare, verder in de aandacht gebracht. In de Brusselse context mogen we hem zeker niet uit het oog verliezen. We zien een zeer getalenteerde schrijver aan het werk, die onze taal zelfs een heel stuk heeft mee gesmeed tot wat het geworden is. Mystiekers zien zich genoodzaakt om de taal onder maximale spanning te zetten opdat ze toch iets van het onzegbare van die Gods-ontmoeting onder woorden zouden kunnen brengen.

Vorige keer bleven we ook bij een heel aantal woorden staan die Jan van Ruusbroec op een expliciet spirituele manier aanwendt, en waarvoor we wel degelijk attent moeten zijn.

Het korte werkje van Ruusbroec, "De Blinkende Steen", die we vorige keer reeds hebben aangesneden, biedt ons een sleutel aan om binnen te treden in de wereld van Ruusbroec. Hij komt er zijn in de war gebrachte lezers te hulp met een eerste benadering van zijn werk. Zijn woordenschat is zeer origineel, zijn denken zeer persoonlijk en zijn spirituele scherpzinnigheid is uitzonderlijk.

Uitgedaagd om zich beter verstaanbaar te maken bewijst hij ons een immense dienst in deze beknopte uitleg van zijn fundamentele cathegorieën. Ons werk zal er dan ook in bestaan om de uitleg die Ruusbroec zelf levert enkel goed weer te geven, en waar nodig wat te versterken en eventueel wat verder te ontwikkelen.

Hier en daar zullen we met enkele complementaire teksten onze lectuur van "De Blinkende Steen" verder verhelderen.

Muziek:

nr2

Met deze teksten via de radio bij jullie in de huiskamer of in de wagen binnen te brengen komen we weer dichterbij de bedoeling van een Middeleeuws boek, dat bedoeld was om voorgelezen te worden, en dus beluisterd door de meesten. De titels die wij regelmatig zullen overnemen zijn niet origineel. Die werden later toegevoegd om beter te zien welk thema de schrijver behandelde. Wij zullen ze dus deels overnemen om duidelijker te maken dat een nieuw idee wordt aangesneden.

Ruusbroec voerdert in zijn uitleg zoals men een Russische pop ontwikkeld, vertrekkend van het meest uitwendige tot aan het meest inwendige. Gedurende het geestelijke groeiproces, ziet men het verwarde bewustzijn zich stilaan gaan aflijnen, waardoor geleidelijk aan een antropologie verschijnt van het gevoelsmatige leven, het spirituele leven en het overwezenlijke leven.

Ruusbroec brengt zijn concepten slechts geleidelijk aan, naar gelang hij ze nodig heeft. Hierdoor kunnen we soms onvoldoende afstand nemen om er een goed overzicht van te krijgen. Het is maar aan het einde van het parcours dat we de samenhang van zijn betoog vatten. Het is dus pas aan het einde van zijn uitleg dat we bewust worden dat hij over ons gesproken heeft, over ons innerlijk leven en onze intimiteit met Christus.

We hebben het misschien al gemerkt in de voorgaande edities, dat de lezer zich moet laten dragen door de teksten van Ruusbroec. Hij legt ons de weg beetje bij beetje uit terwijl bij ze ons laat doorlopen, eenvoudig erop vertrouwend dat God alles doet. Toch kunnen we Hem maar laten doen als we Hem begrijpen, en dat we Hem maar zullen verstaan als we heel aandachtig zijn. Regelmatig zullen we het horen: "Nu verstaet", bij elke moeilijke passage.

De enige echte moeilijkheid om Ruusbroec te lezen bestaat er juist in het terdege aandacht geven, speciaal wanneer hij erom vraagt. Dat veronderstelt dat we vooropgezette meningen laten varen. Laten we ons dus overgeven aan zijn leiding, zonder proberen te raden waar hij ons wil brengen.

Muziek:

nr3

Laten we nogmaals luisteren naar het begin van dit boekje:

DE BLINKENDE STEEN
OF

OVER DE VOLMAAKTHEID DER KINDEREN GODS
OF

OVER HET MYSTIEKE ZOONSCHAP

INLEIDING: HET VOLMAAKTSTE LEVEN IS EEN SYNTHESE VAN VIER ELEMENTEN

De mens, die in de volmaaktste staat der heilige Kerk wil leven moet zijn :
- een ijvervol goed mens;
- een inwendig geestelijk mens;
- een verheven godschouwend mens
en tegelijkertijd een (in liefde') uitvloeiend gemene mens.
Wanneer deze vier dingen in een zelfde mens verenigd zijn dan leeft hij in een volmaakte staat, en dan neemt hij gestadig toe in genade, in alle deugden en in de kennis van de waarheid voor God en alle rechtschapen mensen.

(opmerking 1a van Max) "De mens, die in de volmaaktste staat der heilige Kerk wil leven...". Ruusbroec stelt zich onmiddellijk duidelijk op, en laat er geen twijfel over bestaan tot wie hij zich richt. Hij moet niemand overtuigen en heeft niets te bewijzen. Hij gaat eenvoudigweg beschrijven wat de vereisten zijn van de keuze van een leven in de volmaaktste staat van de heilige Kerk. De woorden aangeven van dit geestelijk avontuur, van deze blijde boodschap van het evangelie, dat is de hele ambitie van het werk van Ruusbroec. Want, zo zegt ons Sint-Jan-van-het-Kruis: "het is een hard en pijnlijk iets, om zichzelf niet te begrijpen, noch iemand te vinden die het begrijpt" (Proloog van "De bestijging van de Berg Karmel"). Woorden geven aan dit innerlijk avontuur, de woorden geven van het Evangelie, dit is het ambitieuze opzet van het hele werk van Ruusbroec.

(opmerking 1b van Max) "De volmaaktste staat..." schijnt als uitdrukking nogal contradictorisch, alsof de perfectie een relatief begrip is. Ruusbroec leidt dit begrip in om aan te geven dat perfectie en perfectie twee zijn. We zullen later in dit werk zien dat er een verschil wordt gemaakt in soorten van relatie tussen de mens en God; een actief leven als "trouwe dienaar", een leven van verlangen als "vertrouwde vrienden", of zelfs een spiritueel en contemplatief leven als "verborgen zonen". Elk van die relaties kunnen tot een perfectie komen, maar de "volmaaktste staat" is deze waarin deze drie perfecties in elkaar passen en die het "gemene leven" (gemeenschappelijke of algemene leven) vormen zoals het op het einde van dit werk zal verschijnen. In de "Geestelijke Bruiloft", en in het werkje van de "Zeven Sloten" kunnen we op dit aspect meer informatie vinden, maar dit zou ons nu te ver brengen.

Muziek:

nr4

(Opmerking 2 van Max) Aan het einde van het paragraafje zien we dat de perfectie die Ruusbroek voor ogen heeft geen louter doel op zich is of een beloning, maar een dynamische toestand, een groei zonder grens in intensiteit (wat de deugden betreft), en in klaarte (wat de kennis betreft), en die eigen is aan de liefdeservaring.

Laten we nogmaals Ruusbroec aan het woord in het vervolg van zijn "Blinkende steen".

Er zijn drie dingen te beschouwen, die een goed mens maken.
Het eerste noodzakelijke is een zuiver geweten, zonder wroeging van doodzonden. Wil iemand dus een goed mens worden dan moet hij zijn gedrag nauwlettend gadeslaan en onderzoeken van de tijd af, dat hij heeft kunnen zondigen. En van de sindsdien bedreven zonden moet hij zich door boete zuiveren volgens de voorschriften en gebruiken van de heilige Kerk.
Het tweede wat voor een goed mens vereist wordt, is dat hij gehoorzaamt aan God, aan de heilige Kerk en aan zijn geweten. Aan elk dezer drie moet hij even trouw gehoorzamen : dan leeft hij vrij van twijfel en zorgen en treft hem geen verwijt in zijn binnenste om welke van zijn handelingen ook.
Het derde wat nodig is om een goed mens te zijn is dat hij bij al zijn daden in de eerste plaats de eer van God nastreeft. Kan hij wegens zijn drukke en veelvuldige bezigheden niet zonder ophouden God voor ogen hebben, dan moet hij op zijn allerminst zo gezind zijn, dat hij in alles het verlangen en de bedoeling heeft te leven naar Gods liefste wil.
Wie deze drie dingen bezit en ze wel beoefent is een goed mens: en wie één ervan mist is noch goed noch in Gods genade. Nochtans, van zodra iemand, wie hij ook weze of hoe hij ook van te voren moge geweest zijn, in zijn hart besloten heeft deze drie dingen na te leven, van datzelfde ogenblik af wordt hij goed en ontvankelijk voor God en vol van Gods genade.

Muziek:

nr5

Deze "goede mens" is de sokkel van elk mogelijk geestelijk leven. Elke mens draagt in zich wat nodig is om zijn goddelijke roeping te ontdekken evenals de vereisten van zijn eigen mensheid. Dit laatste doorheen het oordeel van zijn bewustzijn geconfronteerd met het Woord van God evenals met de beslissingen van de Kerk. Een eerste wet van het geestelijk leven wordt hier bevestigd met heel de Christelijke traditie. In deze bestemming van de mens waardoor "hij bij al zijn daden in de eerste plaats de eer van God nastreeft". Hierbij moeten we in acht nemen dat de genade de natuur vooronderstelt, en de geestelijke groei laat de menselijke ontwikkeling toe.

Vorige keer hebben we dit stuk reeds gelezen. We herhalen nog even de inleiding van het stukje dat dit tweede deel inleidt.

Wil nu zulk een goed mens bovendien ook een inwendig mens worden dan worden nog drie andere dingen vereist :
het eerste is : onverbeeldheid van hart.
het tweede : een geestelijke vrijheid of zuiverheid in zijn verlangens:
het derde : dat hij een inwendige ening met God gevoele.
Hieraan onderzoeke zich ieder, die meent een geestelijk mens te zijn.

Na een stukje muziek snijden we het derde deel aan, het vervolg dat we vorige keer niet hoorden. Hier wordt gesproken OVER EEN GODSCHOUWEND LEVEN dat eveneens voorgesteld wordt IN DE DRIE PUNTEN DIE EEN GODSCHOUWEND MENS UITMAKEN

Muziek:

nr6

Verder moet gij weten dat, zo deze geestelijke mens een godschouwend mens wil worden, daartoe ook weer drie dingen behoren.
Ten eerste : hij moet de grond van zijn wezen als grondeloos aanvoelen en die ook als dusdanig bezitten.
Ten tweede : zijn oefenen moet wijzeloos zijn.
Ten derde: zijn inwonen moet een goddelijk genieten zijn.
Geeft nu wel aandacht, gij, die in de geest wilt leven; want tot niemand anders spreek ik.

We krijgen hier dus een eerste waarschuwing, maar er komen er nog meer, dat enkel de contemplatief het contemplatieve leven begrijpt. Dit omdat de ervaringen en inzichten van de contemplatief niet of niet helemaal onder woorden te brengen zijn. Gezien Ruusbroec zich geregeld heeft moeten verantwoorden voor gedurfde uitspraken, verwittigt hij altijd dat hij verkeerd zal worden geïnterpreteerd door de niet contemplatieven.

We lezen nog een stukje verder:

De ening, die de geestelijke mens met God ervaart, openbaart zich aan de geest als zijnde zonder grond, dat is : mateloos diep en boven mate hoog en lang en breed. In die openbaring wordt de geest gewaar, dat hij aan zichzelf door minne ontzonken is in de diepte, ontstegen in de hoogte, ontgaan in de lengte; hij voelt zichzelf aan als dolend in de wijdte; het is als was hij wonende in de onbekende bekendheid(1), als was hij door het gevoel van deze ening aan zichzelf ontvloten in de eenheid, en, door alle sterven heen, verzonken in het levende leven van God. Daar gevoelt hij zich één leven met God. Dit is de grondslag en de eerste vereiste van een schouwend leven.

Muziek:

nr7

In dat vorige paragraafje zien we het eigenlijke contemplatieve leven tot stand komen. Tot hiertoe voelde de "geestelijke en innerlijke mens" zich verenigd met God, maar in een zekere zin op een negatieve manier, zoals Mozes voor het brandend braambos voordat God tot hem gesproken heeft. De contemplatie van de spirituele mens treedt in "waar hij zich één leven gevoelt met God". Op hetzelfde ogenblik "openbaart (God) zich aan de geest als zijnde zonder grond". God wordt hier ervaren als grondeloos, zoals Ruusbroec het elders zal verwoorden. In de Efeziërsbrief hoofdstuk 3, verzen 17-19 vinden we hiervan de fundering in de schrift: "Zodat Christus door het geloof woont in uw hart, en u in de liefde geworteld en gegrondvest blijft. Dat u in staat mag zijn om samen met alle heiligen te vatten wat de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte is, en dat u in staat bent de liefde te kennen van Christus, die alle kennis te boven gaat; dat u geheel vervuld wordt van de volheid van God." De gehele "Blinkende Steen" becommentarieert deze passage van de Efeziërsbrief, en die we ook elders tegenkomen als Ruusbroec deze liefde in al zijn dimensies wil ontwikkelen.

Nu vervolgt Ruusbroec:

Hieruit ontspringt het tweede punt, te weten, een oefening boven rede en zonder wijze. Want de eenheid Gods, die elke schouwende geest door minne in bezit genomen heeft, trekt onophoudelijk en dwingend-eisend de goddelijke Personen en alle minnende geesten binnen haar eigen Zelfheid in. Dat intrekken ervaart ieder die mint in mindere of meerdere mate naargelang zijn liefde en naar de wijze van zijn werkzaamheid. Wie dit intrekken ervaart, kan niet in doodzonde vallen, zolang hij daarin gevestigd blijft.
Wanneer de schouwende mens zichzelf in alles verloochend heeft en zich door niets van God voelt afgetrokken, omdat hij niets in een geest van eigenheid bezit, maar aan alle dingen onthecht is, kan hij altijd bloot en onverbeeld in het innigste van zijn geest komen. Daar openbaart zich aan hem een eeuwig Licht, en in dat Licht gevoelt hij de eeuwig dringende uitnodiging van Gods Eenheid. Zichzelf gevoelt hij daarbij als een eeuwige brand van minne, die boven alles verlangt één te zijn met God. Hoe getrouwer hij aan dit intrekken of dit 'inmanen' gevolg geeft, hoe meer hij het gevoelt, en hoe meer hij het gevoelt, hoe meer het hem lust één te zijn met God; want hij verlangt de schuld te betalen waartoe hij door God wordt gemaand.

Muziek:

nr8

Het eeuwig inmanen der Eenheid Gods ontsteekt in de geest een eeuwige brand van minne. En als de geest zonder ophouden zijn schuld betaalt, dan bewerkt dit in hem een eeuwig opbranden. Want bij de overvorming door de Eenheid schieten alle geesten in hun werkzaamheid te kort en worden zij anders niet meer gewaar dan een opbranden in de eenvuldige Eenheid Gods.
Deze eenvuldige Eenheid kan niemand gevoelen noch bezitten, als hij niet vóór God staat in ongemeten klaarheid en in minne boven rede en zonder wijze. Bij dit vóór God staan gevoelt de geest in zich een eeuwige brand van minne, en aan deze minne-brand ontwaart hij einde noch begin en hij gevoelt zichzelf één met deze minne-brand.
Zo blijft de geest zonder ophouden brandend in zichzelf, want zijn minne is eeuwig; en zonder ophouden ook voelt hij zich opbranden in minne. Want hij wordt getrokken in de overvorming door de eenheid Gods.
Waar de geest, die in minne brandt, bewust in zichzelf keert, ontwaart hij onderscheid en anderheid tussen hem en God; maar waar hij opbrandt is hij eenvuldig en neemt geen onderscheid waar; want hij gevoelt niets dan eenheid : de ongemeten vlam der minne Gods verteert en verslindt al wat zij grijpen kan in haar Zelfheid.

Muziek:

nr9

Ziezo, we zijn weer aan het einde van deze uitzending gekomen. We zijn deze keer weerom stil blijven staan bij de Brabantse figuur van Jan van Ruusbroec. We hebben een stukje hernomen van de vorige keer, en een stukje verder gelezen uit zijn werk "De Blinkende Steen". Daarin spreekt hij ons over "De volmaaktheid van de kinderen Gods". Met die paar eerste paragraafjes die we hebben gelezen, hebben we al heel wat om over na te denken, en om over te mediteren.

De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De inleidende commentaar komt ook grotendeels uit deze publicatie.

Volgende keer zullen we wellicht weer een paar stukjes hernemen vanuit deze editie met wat meer commentaar. Toch zullen we wat verder lezen uit dit prachtig werk, dat deel uitmaakt van de rijke schat aan geestlijke literatuur die de Kerk rijk is. Teksten die ons zeker kunnen helpen op de weg van ons geestelijk leven.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen.

Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur om) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.