Binnenskamers

Vijfentwintigste en zesentwintigste editie
Jan van Ruusbroec (1293-1381): Spiritualiteit versus moraliteit; Woordstudie; Begin van "De Blinkende Steen".

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

nr1

Welkom beste luisteraar op het programma "Binnenskamers". Vorige keer hebben we de zeer belangrijke figuur van Jan van Ruusbroec de wonderbare, wat meer in de aandacht gebracht. Het is een figuur die ons in de Brusselse context zeker mag bezighouden. Gezien zijn leer ons beter bekend is dan zijn leven, zijn we om te beginnen wat meer blijven stilstaan bij wat we weten over zijn leven. Maar zijn werken - elf traktaten en zeven brieven zijn ons van hem bewaard gebleven -, ze beschrijven uitvoerig de vele aspecten van zijn geestelijke leer. Daarin zien we eveneens een zeer getalenteerde schrijver aan het werk, die onze taal zelfs een stuk heeft mee gesmeed tot wat het geworden is. Mystiekers zoals Hadewijch, Beatrijs van Nazareth, Jan van Ruusbroec, en anderen zien zich genoodzaakt om de taal onder maximale spanning te zetten opdat ze toch iets van het onzegbare van die Gods-ontmoeting onder woorden kunnen brengen.

We zijn de laatste tijd nogal dikwijls bij het woordje zuivering en zuiverheid blijven hangen. Dat is belangrijk ook, maar toch moeten we opletten dat we daardoor de spiritualiteit niet weer in een moraliserend vakje steken zoals dat vroeger regelmatig is gebeurd. We vallen echter makkelijk in die fout als we niet opletten. Als mensen op een zeker moment in hun leven een sterke aanwezigheid van God in zijn oneindige liefde en erbarming ervaren, dan verandert dat hun hele leven. De mensen in hun omgeving merken dat trouwens op, want ze zien dat die persoon veranderd is. De ontmoeting met God, en de ervaring van zijn overgrote liefde, confronteert de mens met zijn eigen zwakheid en zondigheid. Vandaar dat de mens die de genade van deze ontmoeting met God heeft meegemaakt, veel attenter zal zijn om niet meer te zondigen, en zelfs elke onvolmaaktheid in zijn of haar leven zoveel mogelijk zal proberen aan te pakken en weg te werken. Het morele leven zal hier dus een vrucht zijn van deze godsontmoeting, en niet in eerste instantie de oorzaak, alhoewel het ook de basis zal vormen voor een grotere en intensere verbondenheid met God.

Een heel aantal woorden zal Jan van Ruusbroec op een expliciet spirituele manier aanwenden, en daar moeten we wel degelijk voor op onze hoede zijn. Laten we al eens stilstaan bij enkele van die woorden, want de woorden, die de mystici gebruiken, verbergen meer dan zij in het gewone taalgebruik uitdrukken. Eveneens zitten we met woorden uit het middelnederlands die voor ons meestal vreemd overkomen of ondertussen een andere betekenis hebben gekregen.

Het woordje Bloot bijvoorbeeld, betekent: louter, onvermengd of zuiver, ledig, zonder activiteit in bepaalde 'wijze'.
Het woordje gedachte: wordt vaak in de zin van het Latijnse 'mens' (= geest) gebruikt, b.v. in 'blote gedachte'.

Muziek:

nr2

Laten we nog verder gaan met onze woordstudie:
Het woordje ghemeyn betekent: gemeen, mededeelzaam, naar de anderen toegekeerd, 'uitvloeiend'; het staat regelrecht tegenover het ik-gekeerd zijn, of individualistiesche.
Wegens de huidige vaak pejoratieve zin vermijden vele vertalers het modern Nederland; 'gemeen', om er andere termen voor te gebruiken, als 'algenoegzaam' (Reypens), schouwend-werkend e.a. vertalingen. Wij zullen met de vertaling van Pater Moereels die we veelal gebruiken de term 'gemeen' behouden omdat hij ook - vooral in samenstellingen - zijn goede en edele betekenis heeft behouden, b.v. in gemeenschap, algemeenheid. In de geschiedenis van de Nederlandse vroomheid kennen wij de 'Broeders des gemeenen levens'. Dit begrip ligt dieper dan het "beschouwend zijn in de actie" (in actione contemplativus), in deze zin, dat het niet volstaat in de 'actie' ook ingekeerd en met God verenigd te zijn (b.v. door de zuivere mening), maar dat het handelen-in-liefde moet voortvloeien uit het schouwend leven, zoals Ruusbroec dit formeel beschrijft in het tractaat dat we dit jaar zullen lezen in deze uitzending, "De blinkende steen". Hier ligt wellicht een der radikaalste en grondigste verschillen tussen het christelijk "godschouwend leven" en de afgetrokken zelf-bespiegeling van sommige oosterse inkeringetechnieken.

We hebben ook het woordje gherinen: (gherijnen) is het mystieke inwerken, aanroeren, aanraken van de genade, of meer bijzonder van de Heilige Geest. Misschien is 'gerinen' terug in te voeren, daar 'aanroeren' wel redelijk de zachtheid van deze inwerking weergeeft, maar 'aanraken' ietwat hard aankomt voor zulk innig en immaterieel beinvloeden, dat niet van buitenaf op ons inwerkt, maar eerder 'van binnen uutwaert', als een wellende bron uit het intiemste van onszelf, waar, naar Augustinus' woord, God ons intiemer in-wezig is dan wijzelf.

Het woordje middel: neemt soms eenzelfde betekenis als het moderne woord, maar vaak wordt het ook gebruikt in de zin van : hinder, beletsel, tussenschot. Als God ons mens bijvoorbeeld iets kenbaar maakt aan ons, gebeurt dat veelal zonder middel, daar waar de communicatie onder ons mensen normaal bemiddeld is door taal en conventies.

Muziek:

nr3

Een ander woord dat heel belangrijk is de onverbeeldheid, wat wil zeggen: vrij van verstrooiende begrippen, al of niet psychologisch vergezeld van fantasiebeelden; boven conceptuele werkzaamheid van het verstand.

overliden betekend dan weer: overstijgen; boven (zich) uitstijgen; voorbijstreven; uit zichzelf treden; de gewone verstandsakten overschrijden; maar het is toch verwant met 'sterven aan' (overlijden).

wederboecht is: teruggebogen, terugbuigend. Het slaat op onze terugkeer naar onze oorsprong (God); ook in de betrekkingen der goddelijke Personen binnen de Godheid. Met de Zoon worden wij 'wederboecht' in de Vader.

werkelijk en wezenlijk als termen uit Ruusbroec's mystieke leer :

N.B. Deze begrippen zijn natuurlijk veel rijker en meer geschakkeerd dan hier wordt aangegeven.
Wise: wijze : alle beperkende, bepaalde werkzaamheden, manieren van doen, wilsoefeningen; ook gewone of buitengewone wijze om de genade te bezitten. wiseloos: wijzeloos (in onwijze) onbepaaldheid eigen aan het blote wezen of de blote gedachte.

Maar nu gaan we toch iets verder duiken in teksten van Jan van Ruusbroec zelf. We gaan beginnen met zijn zeer bijzonder werk "De blinkende steen".

Muziek:

nr4

Wat weten we over de datum en de aanleiding van het werk?

Uit de belangrijke vijftiendeeuwse aantekeningen over het ontstaan der werken van Ruusbroec, die de kopiïst van hs. F uit zijn Groenendaals voorbeeld, het toen nog volledig bewaarde standaardhandschrift der werken van de Meester, heeft overgenomen, heet het dat Ruusbroec het tractaatje Vanden Blinckenden Steen schreef, toen hij nog als priester in de wereld vertoefde, in het centrum van Brussel dus, vóór zijn verblijf te Groenendaal... Het dateert dus van vóór 1343.

Twee van de vijf punten, die Ruusbroec in de Blinckenden Steen omtrent het schouwende leven uiteenzet, zijn een nauwkeurig antwoord op de vragen die een paar beknopte uitlatingen van het derde boek der Brulocht als vanzelf moesten uitlokken zodra dit tractaat in omloop kwam. Zoals dat zijn (Zie Werken I, 240): "God begripen ende verstaen boven alle ghelijckenissen alsoe alse hi es in hem selven, dat es god zijn met gode sonder middel ofte enighe anderheit die hinder ochte middel maken mach". - Of ook nog (I, 242): "Ende hi wert die claerheit selve sonder onderscheit die hi ontfeet".

Deze vragen, die aanleiding gaven tot het schrijven van de Blinckende Steen, werden feitelijk aan Ruusbroec gesteld door een kluizenaar. Ziehier hoe Broeder Gheraert, de kartuizer van Herne, het ontstaan ervan verhaalt: "...(over dit boek) is te weten dat her Jan op een tijt sat ende redende van gheesteliker materien met enen clusenaer, ende als sy sceyden souden, badt hem die broeder herde seer, dat hi hem die redenen die si dair ghehandelt hadden, woude verclaren met enighen ghescriften op dat hi ende anders yemant dies ghebetert mochten werden. Ende uut dier beden maecte hi dat boek dat alleen ghenoech leren in heeft om enen mensche te wisen tot enen volmaecten leven".

Een paar wendingen als blz. 67 : "Maer ic soude noch gherne weten" enz., herinneren inderdaad nog aan een onderhoud.

Muziek:

nr5

Dit boek dat, zoals we hoorden, genoeg onderricht in zich bevat om een mens te leiden tot een volmaakt leven willen we nu ook echt ter hand nemen. Er valt nog wel veel te zeggen om het werk goed in te leiden, maar we geven de voorkeur aan wat minder uitleg te geven en de tekst zelf voldoende aan bod te laten komen.

Luisteren we naar het begin van dit boekje:

DE BLINKENDE STEEN
OF

OVER DE VOLMAAKTHEID DER KINDEREN GODS
OF

OVER HET MYSTIEKE ZOONSCHAP

INLEIDING: HET VOLMAAKTSTE LEVEN IS EEN SYNTHESE VAN VIER ELEMENTEN

De mens, die in de volmaaktste staat der heilige Kerk wil leven moet zijn :

Wanneer deze vier dingen in een zelfde mens verenigd zijn dan leeft hij in een volmaakte staat, en dan neemt hij gestadig toe in genade, in alle deugden en in de kennis van de waarheid voor God en alle rechtschapen mensen.

(1) Jordaens.

Muziek:

nr6

(EERSTE DEEL:) Luisteren we nu naar zijn KORTE UITEENZETTING van de DRIE EERSTE ELEMENTEN. Althans in deze uitzending naar de eerste twee.

A. OVER EEN GOED LEVEN IN DRIE PUNTEN, DIE EEN MENS GOED MAKEN

Er zijn drie dingen te beschouwen, die een goed mens maken.

Het eerste noodzakelijke is een zuiver geweten, zonder wroeging van doodzonden. Wil iemand dus een goed mens worden dan moet hij zijn gedrag nauwlettend gadeslaan en onderzoeken van de tijd af, dat hij heeft kunnen zondigen. En van de sindsdien bedreven zonden(1) moet hij zich door boete zuiveren volgens de voorschriften en gebruiken van de heilige Kerk.

(1) Naar Jordaens.

Het tweede wat voor een goed mens vereist wordt, is dat hij gehoorzaamt aan God, aan de heilige Kerk en aan zijn geweten. Aan elk dezer drie moet hij even trouw gehoorzamen : dan leeft hij vrij van twijfel en zorgen en treft hem geen verwijt in zijn binnenste om welke van zijn handelingen ook.

Het derde wat nodig is om een goed mens te zijn is dat hij bij al zijn daden in de eerste plaats de eer van God nastreeft. Kan hij wegens zijn drukke en veelvuldige bezigheden niet zonder ophouden God voor ogen hebben, dan moet hij op zijn allerminst zo gezind zijn, dat hij in alles het verlangen en de bedoeling heeft te leven naar Gods liefste wil.

Wie deze drie dingen bezit en ze wel beoefent is een goed mens: en wie één ervan mist is noch goed noch in Gods genade. Nochtans, van zodra iemand, wie hij ook weze of hoe hij ook van te voren moge geweest zijn, in zijn hart besloten heeft deze drie dingen na te leven, van datzelfde ogenblik af wordt hij goed en ontvankelijk voor God en vol van Gods genade.

Muziek:

nr7

B. OVER EEN GEESTELIIK LEVEN. IN DRIE PUNTEN, DIE EEN MENS INWENDIG-GEESTELIJK MAKEN

Wil nu zulk een goed mens bovendien ook een inwendig mens worden dan worden nog drie andere dingen vereist :

het eerste is : onverbeeldheid van hart.
het tweede : een geestelijke vrijheid of zuiverheid(1) in zijn verlangens:
het derde : dat hij een inwendige ening met God gevoele.
Hieraan onderzoeke zich ieder, die meent een geestelijk mens te zijn.

(1) Naar Jordaans.

Wie onverbeeld van hart wil zijn mag niets met liefde bezitten, noch aan iemand met opzettelijke geneigdheid gehecht zijn of met hem omgaan. Want elke omgang en elke liefde, die niet louter om Gods eer is, verbeeldt het hart : dergelijke omgang immers is niet uit God geboren maar uit het vlees. Daarom moet wie een geestelijk mens wil worden alle vleselijke liefde verzaken en God alleen met lust en liefde aanhangen en Hem zo bezitten. En daarmede wordt alle verbeeldheid en alle ongeregelde liefde tot de schepselen verdreven. En in het liefdevol bezitten van God wordt de mens inwendig ongebeeld : want God is een geest, die niemand eigenlijk met beelden voorstellen kan.

In zijn geestelijke oefeningen daarentegen zal de mens zich met goede beelden en voorstellingen behelpen, zoals het lijden van onze Heer en alle dingen, die hem tot meer devotie kunnen opwekken. Maar in het bezitten van God moet de mens vallen in een blote onverbeeldheid, die God is.

Dat is dan de eerste eis en de grondslag van een geestelijk leven.

Muziek:

nr8

De tweede eis is : inwendige vrijheid.

Deze bestaat hierin, dat de mens zich onverbeeld en ongehinderd verheft tot God in allerlei oefeningen: in dank en lof, in eerbetuiging en vrome gebeden, in hartelijke liefde en in alles, wat vurige, smakende liefde kan verwekken, met de hulp van Gods genade en door de eigen vlijtige toeleg op het geestelijk leven.

Door deze inwendige oefening komt men tot het derde punt, te weten: dat men een geestelijke ening voelt met God.

Wie in zijn inwendige oefeningen tot een onverbeelde, vrije opgang tot God is gekomen en niets anders meer beoogt dan de eer van God, zal de goedheid Gods smaken en in zijn binnenste een ware ening met God gevoelen.

In deze ening komt het inwendig geestelijk leven tot zijn volmaaktheid : want door deze ening wordt de begeerte steeds opnieuw opgewekt en aangevuurd tot nieuwe inwendige werkzaamheid, en in dit werken is de geest altoos opgaande in nieuwe ening: op die wijze vernieuwen werk en ening voortdurend. En dit gestadig zich vernieuwen van werk en ening: dat is geestelijk leven.

Hieruit kunt gij opmaken, dat een mens goed wordt door zedelijke deugden met oprechte mening verricht, en dat hij geestelijk wordt door inwendige deugden en ening met God. Maar zonder deze punten kan hij noch goed noch geestelijk zijn.

Muziek:

nr9

Ziezo, we zullen het voor deze uitzending hierbij houden. We zijn deze keer weerom stil blijven staan bij de Brabantse figuur van Jan van Ruusbroec, en hebben een stukje gelezen uit zijn werk "De Blinkende Steen". Daarin spreekt hij ons over "De volmaaktheid van de kinderen Gods". Met die paar eerste paragraafjes die we hebben gelezen, hebben we al heel wat om over na te denken, en om over te mediteren.

De tekst die we hebben voorgelezen uit "De Blinkende Steen" werd door de Jesuïet Pater Moereels in het modern Nederlands vertaald. De inleidende commentaar komt ook grotendeels uit deze publicatie.

Volgende keer zullen we wellicht een paar stukjes hernemen van vandaag, maar vooral verder lezen uit dit werk, die deel uitmaakt van de rijke schat aan geestlijke literatuur die de Kerk rijk is, en die ons zeker kunnen helpen op de weg van ons geestelijk leven.

Wenst u deze teksten graag nog eens rustig achteraf door te nemen, kan je via de website van RadioSpes de link vinden naar de uitgeschreven versie van deze uitzendingen.

Volgende keer hopen we u weer te mogen verwelcomen als onze gast op dit programma.

_____________

U luisterde naar het programma Binnenskamers, waar we deze keer stil zijn blijven staan bij een zeer belangrijk figuur vanuit onze streek, Jan van Ruusbroec, wiens werk (buiten de wil van de auteur) een grote weerslag heeft gehad op een groot deel van de latere geestelijke en mystieke literatuur.