Binnenskamers

Zestiende editie
Anonieme schrijfster van de Evangelische Peerle (+/-1463 - 28 januari 1540): Ontheiliging, verwoesting en herstel van de tempel. De reingining van de ziel om de tempel binnen te mogen gaan, en hoe het gemoed zelf de hogepriester zal zijn en aan God een offer zal opdragen.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

nr1

Vorige keer pakten we onmiddellijk het werk "Den tempel onser sielen" van onze anonieme schrijfster van de "Evangelische Peerle" ter hand. We zijn er (zoals dat eigenlijk hoort) begonnen bij het begin van dat werk. Ze legt er enkele fundamenten die ze noodzakelijk vindt om later op voort te kunnen bouwen als ze doorheen de hoogtepunten van het liturgische jaar gaat, en nakijkt hoe elk van deze feesten ons Christelijk leven siert. Dit eerste hoofdstuk handelde over: "Hoe God de ziel tot zijn tempel heeft gemaakt." We hebben een idee willen geven van de manier waarop ze zich door zo een bijbels beeld als die tempel uit het boek spreuken heenwerkt.

Deze keer zullen we verder lezen in dat eerste deel van "Den tempel onser sielen", maar zullen we iets meer in diagonaal lezen, en de sterkere stukjes eruit pikken. Ze behandelt in het vervolg van dit eerste deel thema's als de ontheiliging, de verwoesting en het herstel van de tempel die God heeft gemaakt. Vervolgens bespreekt ze de reiniging van de ziel om de tempel binnen te mogen gaan, en eveneens hoe het gemoed zelf de hogepriester zal zijn en hoe die aan God een offer zal opdragen.

We zullen ons per hoofdstuk beperken tot het lezen van enkele sterke stukjes, en zo hopelijk voldoende elementen bijeenbrengen om haar gedachtengang te volgen. We zullen de tijd niet nemen om telkens de bijbelverwijzingen te vermelden omdat ons dat anders teveel zal afleiden. Ze wil ons in deze hoofdstukjes vooral helpen om tot een helderder inzicht te komen in wie wij zijn, en over hoe God met ons een heel speciefiek plan heeft.

Muziek:

nr2

Na het eerste hoofdstuk dat we vorige keer hebben gelezen en waar ze uitlegt hoe God de ziel tot zijn tempel heeft gemaakt, pakt ze in het volgende hoofdstuk de misdaad aan die begaan wordt als die tempel ontheiligd en onteerd wordt door de zonden. Door die ontheiliging en ontering begaat men dus een misdaad waarmee men een zware bestraffing verdient. Luisteren we eens hoe ze dat hoofdstuk aansnijdt.

Ach, wat zal hij God antwoorden, die de vaste berg en de edele woning van God aan zijn vijanden uitlevert wanneer hij deze met vreemde afgoden ontheiligt, en er in plaats van de liefdevolle verering van zijn Schepper de liefde voor de schepselen stelt; wanneer hij die tempel verontreinigt met onreine gedachten (die zijn als stinkende beesten) en met slechte genoegens, zodat er nauwelijks iets deugdzaams geschiedt of enig offer in Gods dienst wordt gebracht. Wie zo de tempel van God ontheiligde, moest gestenigd worden. Wat een zwaar vonnis staat hem te wachten, wanneer God en alle schepselen zich tegen hem keren! Welke ontzettende beschuldigingen en zware straf zal hem treffen!

Inderdaad is de taal die ze hier plots hanteerd heel streng en hard. Offerdieren moesten gaaf en ongeschonden zijn. Dieren van het schoonste wat men had, om God gepaste eer te brengen. Hier in dit paragraafje worden onreine gedachten vergeleken met stinkende beesten, en dat zijn dus zeker niet de zuivere lammetjes die er verwacht werden. Wie belet dat de hoge roeping van de mens als tempel van God onmogelijk maakt en die tempel dan nog eerloos te gronde richt, kan moeilijk de straffen van de oude wet van Mozes ontlopen.

Lezen we nog een paragraafje verder:

Hoe ver heeft de tempelontheiliging om zich heen gegrepen! Hoe weinigen zijn er, die hem onbezoedeld bewaren, daarin wonen en hem overal met zich meedragen! "Weet gij niet, zegt Sint Paulus, dat gij een tempel van God zijt en dat de Geest van God in u woont? Wie die tempel van God bezoedelt heeft, dien zal God verdoemen; want de tempel van God is heilig en dat zijt gij."

Ze beëindigt dit hoofdstuk met bemoedigende maar waarschuwende woorden tegelijk, om niet verder tot deze afbraak bij te dragen, maar juist in tegendeel al wat zonde is te mijden.

Ach, (zegt ze) laten we derhalve alle zonden schuwen! Want kort is hun genot, groot is de misdaad. De val is zwaar, onherstelbaar de schade: de schande is onuitwisbaar, de straf is eeuwig.

We leren hieruit dat Gods werk in ons niet zomaar een vrijblijvend tijdsverdrijf is, maar iets dat we terdege au serieux moeten nemen. Maar laten we hier niet vastlopen. De volgende hoofdstukken gaan ons geleidelijk aan elementen toereiken om uit dit slop te kunnen geraken.

Muziek:

nr3

In het derde hoofdstuk zien we hoe God zich beklaagt over deze tempel en woonplaats of stad der ziel, die zo is verwoest.

Dat is de tempel waarvoor God drieëndertig jaar heeft gezwoegd en waarover Hij in de dagen van zijn lijden weende, toen Hij Jeruzalem naderde en zei: "Wist gij wat Ik weet, gij zoudt ook wenen." Die stad was niet het geheel van huizen, maar de stad van de redelijke ziel. Zij is door de eeuwige Wijsheid gemaakt uit de berg der eeuwigheid, zoals de profeet zegt: "Zijn fundamenten zijn in de heilige bergen"; zo is ze gefundeerd in God en God in de ziel. Dikwijls nadert Hij die stad met zijn bezoeking, maar zij is Hem niet genegen. Dat beweende de Heer dikwijls tijdens zijn leven, want zij was zonder goede werken en aanbad vreemde goden. Daarom zei Hij: "Wist gij wat Ik weet, gij zoudt ook wenen."

Als we nu de ernst van deze situatie eveneens kunnen inzien, helpt ze ons verder te begrijpen dat ook onze vermogens door deze zondige situatie worden vastgezet en verhinderd om de situatie correct in te schatten. Ze gebruikt onder andere het beeld van de tempelreinging in het Evangelie om nogmaals met de woorden van de Heer te herhalen dat: Mijn huis, een huis van gebed is, en dat gij er een moordenaarshol van gemaakt hebt. Het hol is het geweten waarin de genade van God door de zonden wordt versmoord...

Dan gaat ze verder met het volgende:

De Heer Jezus gaf de hele dag onderricht in de tempel: de hele dag geeft Hij onderricht in de tempel van de ziel. Waren onze oren hiervoor niet gesloten, dan zouden wij altijd zijn heerlijke stem horen. Hij werpt de stralen van zijn licht in het onreine geweten, bestraft en vermaant het, en maakt het zuiver en helder voor zijn aanschijn. "Het woord van God is krachtig en levend: als een tweesnijdend zwaard doorboort het de ziel: het scheidt geest en ziel van elkaar" en doet de geest opwaarts stijgen en één zijn met God. Het maakt de geest onderdanig aan zijn lering; zo begeren de ziel en het lichaam zijn gekruisigde mensheid na te volgen, en de geest de onbeweeglijke Godheid. Dat Woord van God is een levende bron in de ziel, waardoor zij vruchtbaar wordt in alle deugden. "Wie luistert naar mijn Woord en het bewaart, heeft het eeuwig leven in zich." Laten wij daarom Gods bezoeking en zijn komst in ons erkennen.

Deze erkenning en overgave is nodig willen we de Heer niet opnieuw horen zeggen : "Hoe dikwijls begeerde ik uw kinderen te verzamelen, zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels, en gij wilde het niet."

Het is met deze bijbelvers dat ze dat derde hoofdstuk afsluit. Maar op zulk een negatieve noot blijft ze niet hangen. Dat zien we na een muzikale noot zodadelijk in het volgende hoofdstuk.

Muziek:

nr4

De omschrijving van het vierde hoofdstuk luidt als volgt: "Hoe God de tempel der ziel heeft hersteld."

Ze vat dit hoofdstuk onmiddelijk aan met Jezus' uitspraak: "Breek deze tempel af en in drie dagen zal ik hem herstellen." En een beetje verder vervolgt ze:

Om nu de verwoeste tempel van ons lichaam te reinigen, heeft Hij zijn zuiver lichaam overal laten schaven en zijn ledematen overal laten ontwrichten, zodat niet één lid op zijn plaats bleef; want wij waren allemaal vervallen.

Weer wat verder schrijft ze:

Om dat Rijk van God voor ons te openen, zegt Hij door de profeet: "Ik zal de metalen poorten in elkaar trappen en de ijzeren grendels openbreken. Ik zal de deur openen en de poorten zullen niet weer worden gesloten. Ik zal u verborgen schatten tonen en verborgen geheimen zal Ik u openbaren. Ik heb u aan Mij gelijk gemaakt en Ik heb u omgord."
Die Deur of poort deed Hij open, toen Hij zijn heilige zijde voor ons liet doorsteken en zijn goddelijk hart liet openen. Toen werd de verhardheid van ons gemoed gebroken en de beklemmende duisternis daarvan weggenomen; de verborgen schatten van zijn Godheid werden ons getoond om ons zo gelijk te maken aan zijn klaarte en ons te omgorden met zijn heerlijkheid. Uit die heilige zijde vloeiden het zuiver water om daarmee de tempel te besprenkelen en te reinigen, en het kostbaar bloed waarmee Hij deze een heerlijke luister heeft geschonken.

Die tempel (besluit ze) is stevig gegrondvest op de berg van de godheid, en op de rots van de aangenomen mensheid van Jezus Christus. Hij is het ware fundament dat het hele gebouw draagt. Het is een edele woning, een heerlijke stad waarvan Christus de hoeksteen is; het bouwwerk van Gods woonplaats, waardoor ook wij opgenomen zijn in de Heilige Geest.

Muziek:

nr5

Nu gaat ze onderlijnen dat God voor zichzelf die tempel heeft geheiligd en vrijgemaakt. Hij wil niet dat iets anders daar binnenkomt. Het is alleen zijn woning. Jezus viert in die woning, in het binnenste van de ziel een geestelijke kerkwijding.

... Hier richt Hij zijn altaar op. Hij consacreert daarop het sacrificie van zijn heilige verdiensten, en de goddelijke sacramenten worden daarop geofferd. Hij consacreert het hele Godshuis, opdat men daar altijd God alleen zal aanbidden en loven met zingen, lezen en aandachtig verlangen van het hart.

Deze geestelijke tempel wordt helemaal Gods tabernakel. Ze noemt het een geestelijke apotheek, waar alle gezondheid van de ziel vandaan komt. In die tempelwijding wordt de ziel opnieuw gedoopt in de afgrondelijke eenheid van God, in de wellende vloed van zijn minne, om voor God een welgevallige offerande te zijn. Hij wijdt haar ook, en neemt haar tot zijn bruid. Hij zalft haar met overvloedige vreugde, zodat ze ook sterft aan zichzelf en aan alle dingen en alleen voor God leeft.

Onze Lieve Heer zegt door de profeet: "Maak in u een sanctuarium voor Mij en Ik zal midden in u wonen." Laten we dan ijverig zijn om het huis van ons geweten zuiver te maken: dan kan God zijn tempel in ons met glorie en eer bezitten. Want diegene bereidt God een passende woning, van wie de rede niet is misleid en van wie de memorie onbesmet is. Die ziel is gelukkig, die zich inspant om het huis van haar hart te reinigen van alle zondevlekken en opnieuw te voorzien van alle deugden; zo zal het niet alleen voor de heilige engelen een genoegen zijn daarin te wonen. Dit is het immers wat de ziel vrede en volkomen rust geeft: dat zij zich in de goddelijke minne met al haar vermogens verzamelt in goddelijke blijdschap. Dan wordt zij hersteld tot beeld van God, dat zij grote verering toedraagt. Zulke ziel wordt dikwijls bezocht en geëerd door de heilige engelen en aartsengelen, omdat zij een waardige tempel van God is en een woning van de h. Geest. Laten wij daarom ook tempels van God zijn; dan zal de hoogste Heer graag in u wonen. Want de ziel die God in zich heeft is een tempel van God en de goddelijke sacramenten worden in haar voltrokken.

Muziek:

nr6

Om niet bij de pakken te blijven zitten, laat ze in het volgende hoofdstuk horen hoe de ziel zich zal reinigen en zich in haar levenswijze zal oprichten om zelf binnen te mogen gaan in Gods woonst, gezien niets mag binnenkomen dat bevlekt is. In de tempel van het oude verbond was dat reeds zo, met alle soorten reinigingsriten.

... Wil de mens een passende offerande zijn voor God, van alle geestelijke ziekte genezen worden, die tempel binnengaan en God schouwen, dan moet hij zich eerst ijverig wassen in het beminnelijke waterbekken dat het reine leven is van onze Heer Jezus Christus. Het water van dat bekken is: zijn hete tranen, zijn bloedig zweet, zijn kostbaar en dierbaar bloed. Daarmee wil Hij ons zuiver maken; zo kunnen wij in Hem binnentreden, en voor God zijn: een levende offerande en de prijs van zijn bloed.

In de oude tempel mocht geen kreupele binnenkomen. Alleen voor de volkomene is het geoorloofd die schone poort binnen te gaan. Die poort is de menselijke natuur van Christus (zegt ze). De kreupele interpreteert ze als het kreupele gemoed, dat met al zijn vermogens ineengekromt en neergebogen is, zodat het de hemelse dingen niet kan schouwen. Het is niet passend voor onze ziel om de goddelijke gelijkenis in dierlijkheid te veranderen! Maar als ze zich laat bewegen door de vermanigen van God, en het Woord van God in haar komt, zodat ze voortaan een nieuw leven gaat leiden, dan bewerkt Het de genezing van de kreupelheid. Verwijzend naar de genezing van de lamme voor de schone poort van de tempel zegt ze:

Het Woord doet hem rechtop gaan en springen en God loven, en Het doet hem binnengaan door de schone poort van Christus' menselijke natuur.
Dat ervoer Sint-Bernardus, toen hij zei: "Toen het Woord van God eerst in mij kwam, wekte Het mijn slapende ziel. Het bewoog, vermurwde en wondde mijn hart. Het begon ook uit te roeien en te vernietigen, op te bouwen en te planten. Al wat er krom was, begon Het recht te maken en al wat steil was, in effen wegen te veranderen. Zo mag ik wel zeggen: mijn ziel, gezegend de Heer; en al wat in mij is, moet zijn heilige Naam zegenen."

Muziek:

nr7

Nu volgt het laatste en langste hoofdstukje van dit eerste deel. Het handelt over de manier waarop ons gemoed zelf de hogepriester zal zijn en aan God een offer zal opdragen. We zullen het in twee keer overlopen met een muziekstukje als intermezzo. Luisteren we nu naar dat eerste deel:

Nu we in ons voor God een tempel hebben gemaakt, nu wil Hij dat ons gemoed zelf de hogepriester is en een gelijkenis met Aäron bezit. Aäron betekent zoveel als een berg der sterkte. Hieronder verstaan we het hoogste van onze geest, waar God in heerst. ...
Het hoogste deel van onze geest, één geworden met de geest van God, is de berg waaromheen de wateren van de weelde der Godheid stromen; en de rivieren van de mensheid van Ons Heer, met al de zijnen, stromen daar naartoe.

De droom van de ladder van Jakob wordt in het volgende paragraafje opgeroepen, in het opgaan en afdalen van de engelen.

Daarom zullen wij Christus navolgen en in vrijheid opgaan naar de verborgenheid van ons gemoed, tot in het geheim Heilige der Heiligen, en ons overleveren in de vrije eenheid van God. Hierdoor sterven wij alle uren aan onszelf en bezitten wij een vrij leven in God. Dit deed Christus naar zijn mensheid, vanaf het begin dat zijn geest geschapen was, en Hij zal het eeuwig blijven dien. Want daarin ligt zijn zaligheid, en die van alle schepselen die met God verenigd zijn. We zullen ook afdalen in vrijheid en onszelf verloochenen bij alle moeilijkheden die ons overkomen. Zo dragen wij ons kruis, sterven we aan de natuur, en volgen wij op onze beurt Christus die om ons afdaalde in alle ellende, tot de dood aan het kruis. En op deze twee wijzen, dat is: met zijn opgaan en zijn afdalen in vrijheid, heeft Hij voor ons vrijheid in God gekocht. Op dezelfde manier kunnen wij ze in ons verkrijgen en bezitten, en anders niet.

Muziek:

nr8

Nu volgt nog een heel boeiend stuk, dat jammergenoeg te lang is om helemaal weer te geven in het kort bestek dat ons hier rest. Het spreekt eerst over de drie hogere vermogens van de mens, en hoe minne, vrijheid en deugdbeoefening in de verheven eenwording hun bijdrage leveren tot het aanstellen, zalven en bekleden van de ziel om de priesterlijke eredienst en het goddelijke ambt te vervullen.

Die priester - dat is de hoogste eenheid van onze geest - moet zich afzonderen van alle veelheid en naar binnen treden, in de verborgenheid van het gemoed, in het Heilige der Heiligen waar de H. Drievuldigheid altijd licht. Hij neemt met zich mee het zeer kostbare bloed van Ons Heer Jezus Christus en diens heerlijke verdiensten. Hij richt zijn aandacht naar diens vurige liefde tot ons; hij maakt een bundeltje van de allerfijsnte welriekende kruiden, met de edele deugden die Christus heeft voorgeleefd. en ontsteekt die aan het vuur van diens afrondelijke, brandende liefde. dat wordt dan net als een nevel; het is als een verborgen stilte in een eenvoudig zwijgen, waar de geest neigt tot in de beminnelijke Afgrond. Daar ontvangt de geest de geheime inblazing, het verborgen Woord dat voortkomt uit het hart van de Vader. Deze stort het de ziel in, en het Woord maakt haar deelachtig aan zijn aangenomen mensheid.

Helemaal aan het einde van dit eerste deel besluit ze met de volgende mooie woorden:

O ziel, nu hebt ge gehoord hoe ge een tempel van God zijt, waarin Christus zelf de hogepriester en offerande is, de gever en de ontvanger; een tempel waarin Hij onze geest met Hem heeft geheiligd om een geestelijk priester te zijn. Jezus heeft ons voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en wij zullen heersen op aarde.

Muziek:

nr9

Ziezo, meer dan genoeg stof voor vandaag. We hebben deze keer zeven mijlslaarzen aangetrokken en de rest van het eerste deel overvlogen, waarin onze anonieme mystieke schrijfster van de Evangelische Peerle thema's behandelt zoals de ontheiliging, de verwoesting en het herstel van de tempel die God heeft gemaakt. Vervolgens bespreekt ze de reingining van de ziel om de tempel binnen te mogen gaan, en eveneens hoe het gemoed zelf de hogepriester zal zijn en hoe die aan God een offer zal opdragen.

De volgende keer zullen we in het tweede deel duiken, en naast het eerste hoofdstuk dat de titel "Kerkwijding" draagt, reeds een aantal liturgische feesten aanraken in onze aanloop tot en voorbereiding van het feest van lichtmis dat niet ver na onze volgende uitzending zal plaatsvinden.

Hopelijk hebben jullie genoten van de verrassende invalshoeken van waaruit ze ons spritiueel leven bekijkt. En kijken we uit naar de volgende keer.