Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
Na die eerste editie van dit jaar, waarbij we enkele teksten hebben gelezen van de zalige Jan van Ruusbroec, willen we vandaag al even proeven aan een stukje uit "De grote evangelische Parel". De schrijfster - want het was een dame - is anoniem willen blijven, en dat is haar ook nog gelukt. We hebben enkel het gissen naar wie ze dan wel zou kunnen geweest zijn. We kennen wel haar laatste woorden, die ze uitsprak toen ze op 28 januari 1540 op 77-jarige leeftijd stierf. "Heer, als Gij maar vreugde beleefde, als Gij maar vrede en genoegen vondt in mij!" Nicolaas van Essche, de begijnenleider en de Keulse kartuizers hebben zich ingezet om haar werk uit te geven. De Peerle werd een bestseller, en liet zich in een Latijnse vertaling over Europa verspreiden.
Vandaag lezen we een heel klein stukje uit haar bestsellerswerk: "De Evangelische Peerle", maar zullen daarna bijna uitsluitend lezen uit haar werk "Den tempel onser sielen". Dit laatste werk zag slechts één druk in 1543. Het kende niet hetzelfde succes als de Peerle, niettegenstaande het een veel beter gestructureerd en bevattelijker werk blijkt te zijn dan de Peerle. Na meer dan 4 eeuwen, namelijk in 1968, zag een kritische uitgave van "Den tempel onser sielen" door de hand van A. Ampe s.j. pas het licht. Pater Jos Alaerts, eveneens een Jezuïet hertaalde het naar het hedendaags Nederlands. Het werd onder de naam "Gods tempel zijn wij", uitgegeven in 1980 door de Abdij van Bethlehem te Bonheiden. Het is uit dat werk van Pater Jos Alaerts dat we het meeste van de teksten van dat werk zullen lezen.
In de kritische uitgave van 1968 heeft Ampe overtuigend aangetoond hoeveel de schrijfster verschuldigd is aan andere auteurs. Ze zocht haar gading in een rijke geestelijke traditie, van Augustinus af. Samen met die van Bernardus, komt zijn naam het meest voor. Belangrijke teksten putte ze eveneens bij Eckhart, Joranus van Quedlinburg (van wie verschillende preken in hun geheel werden overgenomen), Kraft van Boyberg, Ludolphus van Saksen, Marquard van Lindau, Ruusbroec en Tauler. Ze heeft ook bepaalde anonieme bronnen gelezen, zoals de "Limburgse Sermoenen". Hier en daar meent men gedachten en beelden terug te vinden van Willem van St.-Thierry en Hadewijch. Bronnen van de vierde tot de vijftiende eeuw! Maar daartoe kan de "Tempel" geensins herleid worden. Ampe besluit terecht; "Hier is een grote geest aan het woord, die vanuit de traditie een eigen persoonlijk getuigenis brengt."
Muziek:
Laten we nu een stukje aansnijden vanuit de "Evangelische Parel" waarin de anonieme schrijfster het heeft over een driedelig onderscheid in de mens, en hoe die drie delen toch een geheel uitmaken.
| Zoals deze drie: de geest, de ziel en het lichaam verscheiden zijn, en toch een mens uitmaken, zo zijn ook de algemene kerk, het koor en het hoogaltaar drie dingen, nochtans is het één kerk. |
Ze vergelijkt dus de mens met het kerkgebouw, dat ze op drie niveaus bekijkt. Eerst in zijn geheel, of althans in het deel waar de gewone kerkgangers normaal toegang toe hebben. Vervolgens het koorgedeelte, het deel namelijk waar de eredienst zelf plaatsvindt. Ten slotte het altaar, de plek waar het hoogste en edelste deel van de liturgie plaatsvindt. Deze drie onderdelen van de kerk zijn te onderscheiden, maar niet van elkaar te scheiden. Ze vormen een groot geheel, waarin het ene in feite niet zonder het andere kan bestaan.
Muziek:
Laten we nu eens luisteren wat ze van die drie delen te vertellen heeft.
| Voor de algemene kerk, daar waar alle mensen in bidden op uitwendige en menichvuldige wijze, zullen we ons eigen lichaam onder verstaan, waarmee we God zullen dienen, en onze naaste, alsook de gewone uitwendige realiteit en zijn ordening. |
| Voor het koor, waar men God in looft met zang en orgelmuziek, zullen we onze ziel verstaan die met al haar krachten opgericht zal zijn om God te loven in vreugde. Ze staat altijd opgericht als een snaar van een harp, opdat de Heilige Geest, de hemelse meester van de liefde erop spelen mag wat hem belieft. |
| Bij het altaar dat in het koor staat, waar het hemelse offer wordt gebracht en gehouden in het verborgen heiligdom, zullen we onze geest onder verstaan die het heilige der heiligen zal binnengaan om er God standvastig te aanbidden. Want het is daar dat we God zullen aanbidden in geest en waarheid, en dat we onszelf geheel aan Hem zullen opofferen, met alles wat we van God hebben ontvangen in de geest en in de natuur tot de eeuwige lof van God. We zullen dit opofferen samen met alle tekorten en behoeften van onze naaste medemensen en van alle noodzakelijke dingen, en dit met inwendige vreugde. |
Muziek:
Na deze beschrijving wil ze nog wat verder ingaan op de manier waarop me met ons lichaam, onze ziel en onze geest in staat zijn om God te dienen en eer te bewijzen. Ze gebruikt daar het woord versieren. Dit deeltje van de grotere kerkgemeenschap, dat onderdeel van het lichaam van Chirstus moet mooi zijn, mooi versierd om op passende wijze de Bruidegom te kunnen onthalen.
Laten we nu even horen wat er zoal gepast is voor deze opsmuk.
| En omdat we uit drie verscheiden delen bestaan, zo moet elk deel bijzonder versierd worden. Het lichaam met de zeven sacramenten, met zedelijke deugden en een vlijtig sterven van alle zinlijke begeerten. De ziel met de zeven gaven van de heilige Geest, en een geheel sterven aan al het gene dat het leven - dat God is - in haar verhinderen kan; de geest die met de ziel, samen met de acht zaligheden en een volkomen sterven aan haarzelf, aan alle zelfzucht en behaaglijkheid in de geest en in de natuur [nastreeft], om enkel en alleen in God te leven. |
| Om nu dat nederste deel (dat het lichaam is) te kunnen versieren, moet het hart rein zijn, rustig en vredig. Want het hart is de wortel en oorsprong van het hele leven en van al wat het lichaam beroert. Uit het hart komen eveneens alle deugden en zeden. En ook op die manier zult ge versierd zijn met de zeven sacramenten. |
Nadien somt ze ook de zeven sacramenten op, vergelijkbaar met de manier waarop we Ruusbroec vorige week aan het werk hebben gezien. We hebben nu jammergenoeg niet genoeg tijd om die sacramenten door te nemen. Ze zet ze wel lichtjes in een andere volgorde, en geeft ze soms een ietwat andere naam. Voor het huwelijk bijvoorbeeld noemt ze het zowel het "heilig huwelijk" (heiliger echtschap), als de "geestelijke vereniging" (geestelijcker vereeninge) of de "trouw" (trouwinghe). Het vormsel noemt ze eveneens de "vereniging" (vereninge). De Eucharistie noemt ze het "waardig heilig sacrament van het lichaam en bloed van Christus" (weerdigen heyligen sacrament des lichaems ende bloets Christi).
Muziek:
Een van de grote figuren die we zeker niet mogen vergeten, en die vanuit onze streken afkomstig is, maar in Frankrijk verzeild is geraakt en bekend is geworden als Abt van de Abdij van Saint-Thierry: Willem van Saint-Thierry. Hij wordt in de ondertitel van een werk van de Jezuïet en professor Paul Verdeyen de "Eerste mysticus van de Lage Landen" genoemd. Over zijn afkomst, jeugd en opvoeding is zeer weinig bekend. We lezen wel dat hij werd geboren 'apud Leonium', in de omgeving van Luik. Was hij Limburger of Waal? Was zijn moedertaal Diets, Waals of eerder Duits? We zullen het wellicht nooit echt weten. In ieder geval was hij door zijn geboorte, een soort "grensgeval".
Later, na weggetrokken te zijn uit zijn geboortestreek, en ingetreden te zijn als monnik in de Abdij van Saint Nicaise in de stad Reims, geraakte Willem zeer goed bevriend met Bernardus van Clairvaux. Niettegenstaande deze vriendschap, was Willems karakter bepaald niet Bourgondisch. Bernardus was uitbundig, alert en dominant. Willem was bedachtzaam, eerder traag en aarzelend. Hij had meer aandacht en interesse voor de innerlijke gemoedsbeweging dan voor de uiterlijke actie.
De eerste ontmoeting en de daaruit voortvloeiende vriendschap tussen Willem van Saint-Thierry en Sint-Bernardus dateert van de jaren 1118-20. Willem was 10 à 15 jaar ouder dan Bernardus, en moet in die tijd 40 à 45 jaar oud geweest zijn. Samen hebben ze heel wat tijd doorgebracht toen ze beiden ziek en herstellend waren. Ze hebben toen rustig de tijd gehad om heel diepgaande gesprekken te hebben over het geestelijk leven. Deze rijke gesprekken hebben veel vruchten gedragen in beider studiewerken en geschriften. Willem leerde er in het bijzonder de geschriften van Origines kennen en zijn Commentaar op het Hooglied. Ook andere Griekse Kerkvaders waren toen via de eerste Latijnse vertalingen binnen hun bereik, zoals bijvoorbeeld Gregorius van Nyssa. De Oosterse Kerkvaders lieten duidelijk hun sporen na in de schriften van Willem. Zo mag men volgens André Louf - de vroegere abt van Katsberg in Frans-Vlaanderen - wel zeggen dat hij een brug werd tussen oost en west. Een brug die wellicht nog niet voldoende werd geëxploiteerd.
Veel van de geschriften van Willem zijn jammergenoeg verloren gegaan. Deze die bewaard zijn gebleven, zijn veelal in de schaduw van Bernardus en onder zijn naam tot ons gekomen.
Het werk dat zeker als een van de sterkste werken van Willem van Saint-Thierry mag worden beschouwd is - zoals de bijnaam die die heeft gekregen laat vermoeden - de "Gulden brief". Een brief gericht aan de Kartuizers van de Godsberg in de Franse Ardennen waarvoor hij veel bewondering had. In 2005 werd een moderne Nederlandse vertaling uitgegeven van deze prachtige brief door broeder Guerric Aerden van de cisterdiënzeabdij Zundert. Het is uit deze vertaling dat we nu een stukje zullen lezen. Deze tekst situeert zich in een deeltje dat over het leven van de Anachoreet handelt. Wat we daaruit plukken handelt over de geestelijke communie.
Muziek:
De interessante tips die we nu gaan lezen zijn uiteraard gericht aan Kartuizers, en wel in het bijzonder naar de novicen van dat nieuwe (nog in opbouw zijnde) klooster in de ardennen. Toch is het niet misplaatst om ons licht er eveneens bij op te steken. De hele brief is een aanmoediging om zijn Christelijke roeping na te volgen. Dat is ons aller roeping. Wellicht kunnen we daar minder tijd voor vrijmaken dan een monnik, maar de ingesteldheid, of moet ik beter zeggen de toewijding is dezelfde voor ieder mens.
De Eucharistie mogen we wel beschouwen als het hoogtepunt van de sacramenten. Willem handelt in de tekst die gaat volgen over de geestelijke communie als manier om (altijd en overal) de sierende kracht van dit sacrament op een geestlijke manier te ontvangen. Daardoor laten we God ook toe zijn heilscheppend werk in ons te laten verrichten.
We lezen nu het 115e paragraaf van zijn Gulden brief.
| (Par. 115) Ieder die een zintuig voor Christus heeft weet zelf hoe voordelig het is voor de christelijke vroomheid, hoe het een dienaar Gods, een dienaar van de Christus-redder betaamt en hoe nuttig het voor hem is om, al was het maar ééns per dag, met aandacht de weldaden van zijn verlossend lijden te overdenken, teneinde ze smakend in het bewustzijn te genieten en ze betrouwvol in het geheugen te prenten. Dit heet een spiritueel nuttigen van het lichaam van de Heer en een drinken van zijn bloed tot gedachtenis aan hem. Hij toch gaf aan al wie in hem gelooft het voorschrift: 'Doe dit tot mijn gedachtenis' (Lc. 22,19; 1Kor. 11,24). |
Een zintuig hebben voor Christus, wat wil dat zeggen? Sommige uitdrukkingen zijn inderdaad niet heel evident. In de oorspronkelijke Latijnse versie wordt de uitdrukking "Sensum Christi" gebruikt. Men zou het anders kunnen formuleren als: "het waarnemingsvermogen voor Christus"; of "een innerlijke antenne, met affectieve connotatie, die op Chrisuts is afgestemd.
De overweging van het leven, lijden, de dood en verrijzenis van Christus is een echte methode van spiritualiteit.Bernardus benadrukt eveneens de noodzaak ons de mysteries van Jezus' leven eigen te maken door lezing en navolging. "De voornaamste en grootste van Gods weldaden, ik bedoel het werk van onze verlossing, zou eigenlijk nooit mogen wijken voor het geheugen van de verlosten" (SC 11.30).
Muziek:
We lezen nu het 116e en 117e paragraaf van zijn Gulden brief.
| (Par. 116) Het moge wat dat betreft voor allen duidelijk zijn hoe onvroom de mens is die Gods goedheid vergeet, om de term 'zonde van ongehoorzaamheid' nog maar niet te gebruiken. Het is even laakbaar als het vergeten van een afwezige vriend die voor ons nochtans een of ander herinneringsteken naliet. |
Vergetelheid of oblivio is de tegenhanger van de memoria Dei of het voortdurend gebed. Gods weldaden vergeten voert de mens de brede weg op van de verlorenheid! Dit is dus inderdaad niet enkel waar voor de monnik, maar voor elke Christen mens!
| (Par. 117) Deze heilige en eerbiedwaardige gedachtenis van het mysterie (zo gaat hij verder) kunnen weliswaar slechts weinigen op passende wijze, plaats en tijd vieren, zij namelijk aan wie dit dienstwerk is toevertrouwd. Maar de realiteit van het mysterie kan in elke tijd, op elke plaats van Gods rijk en op de wijze die werd overgeleverd gevierd worden. Ze kan met gevoelens van erkentelijkheid en vroomheid aangeraakt en zich heilvol toegeëigend worden door allen die dit willen. Tot hen immers is gezegd: 'Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, het volk dat werd aangeworven om de kracht van hem die u uit de duisternis riep naar zijn wonderbaar licht af te kondigen' (1Petr. 2,9; Ex. 19,6). |
Wellicht heeft Willem het hier over het ambtelijk priesterschap, als hij spreekt van het vieren van de gedachtenis van het mysterie op een passende wijze, plaats en tijd. Maar wat volgt is waar voor iedereen, zowel voor het ambtelijke priesterschap van de priesters, als voor het algemeen priesterschap van de gelovigen. We zijn ons veelal onvoldoende bewust van de unieke kansen die we dagelijks krijgen om Jezus' vraag: "Doet dit tot mijn gedachtenis" in te willigen.
Muziek:
We lezen nu het 118e en 119e paragraaf van zijn Gulden brief.
| (Par. 118) Want hij die waardig is, ontvangt het sacrament ten leven, terwijl de onwaardige het kan profaneren tot zijn dood en veroordeling (1Kor. 11, 29). Maar de realiteit van het sacrament kan niemand deelachtig worden die er niet waardig en bekwaam voor is. Het sacrament zonder de realiteit ervan brengt dood voor wie het nuttigt. De realiteit echter van het sacrament brengt, zelfs zonder het sacrament, eeuwig leven voor wie het ontvangt. |
Het onderscheid tussen sacramentum/mysterium en res/virtus sacramenti gaat terug op Augustinus. Hij maakt hiermee een onderscheid tussen de zichtbare rite (sacramentum) en het heilswerk van Christus dat ermee wordt aangeduid (res). Wie dus alleen maar de uiterlijke rite ondergaat zonder een corresponderende innerlijke gesteltenis, ontvangt de dood. Maar wie zich in geloof openstelt voor Christus' heiligmakende genade ontvangt, ook zonder uiterlijke rite, de vergoddelijkende genade van het kindschap Gods. Denken we eraan dat in de twaalde eeuw, zoals trouwens nu nog in de orthodoxie, het ontvangen van de sacramentele communie veel minder gemakkelijk was en is, dan dat het in de katholieke kerk in het recente verleden het geval was. Misschien beginnen we het nu ook van langs om moeilijker te hebben binnen de katholieke kerk om ergens nog een zondagsmis, laat staan een weekmis te kunnen bijwonen.
| (Par. 119) Voor wie wil, ja echt wil, is deze realiteit elk uur van de dag en de nacht aanwezig. Telkens als je in gedachten aanwezig bent bij hem die voor jou geleden heeft (1Petr. 2,21) en je gemoed teder en trouw verwijlt bij die daad van hem, eet je zijn lichaam en drink je zijn bloed. Zolang je in hem blijft door de liefde en Hij in jou door zijn heiligende en rechtvaardigende werking, word je gerekend tot zijn lichaam, en tot één van zijn ledematen. |
Het is een heel mooie uitnodiging ook voor onze welmenende christenen van vandaag, om ieder op zijn manier gehoor te geven aan de uitdrukkelijke oproep van Christus: "Doet dit tot Mijn gedachtenis". Men moet wel de oprechte wil hebben om deze geestelijke gedachtenis te realiseren, maar als die wil er is, dan is dat dus helemaal niet zo onmogelijk.
Muziek:
Slot:
Vandaag hebben we een heel klein stukje gelezen uit het bestsellerswerk van de anonieme schrijfster van : "De Evangelische Peerle", maar in de volgende edities zullen we bijna uitsluitend lezen uit haar werk "Den tempel onser sielen". Dit laatste werk zag slechts één enkele druk in 1543. Het kende niet hetzelfde succes als de Peerle, we hebben meer dan 4 eeuwen moeten wachten, namelijk tot in 1968, voordat een kritische uitgave van "Den tempel onser sielen" door de hand van professor A. Ampe s.j. het levenslicht zag. De hertaling door Pater Jos Alaerts, werd onder de naam "Gods tempel zijn wij", uitgegeven in 1980 door de Abdij van Bethlehem te Bonheiden. Het is daaruit dat we het meeste van de teksten van dat werk zullen lezen.
Eveneens hebben we de "Eerste mysticus van de Lage Landen" - zoals Pater Paul Verdeyen hem noemt - aan het woord gelaten met een stukje dat handelt over de geestelijke communie. Een tekst die ons aanspoort om de woorden die zo centraal staan in het laatste avondmaal: "doe dit om mij te gedenken" niet uit het oog te verliezen, maar echt ter harte te nemen in ons leven als Christen gelovige mens.
Volgende keer pakken we onmiddellijk het werk "Den tempel onser sielen" van onze anonieme schrijfster ter hand. We zullen er beginnen bij het begin van dat werk, waar ze enkele fundamenten legt die ze noodzakelijk vindt om later op voort te kunnen bouwen als ze doorheen de hoogtepunten van het liturgische jaar gaat, en nakijkt hoe elk van deze feesten ons Christelijk leven siert.
Hopelijk tot volgende keer.