Binnenskamers

Dertiende editie
Jan van Ruusbroec (1293-1381):

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

De vorige keren hebben we gelezen uit een teksten van verschillende spirituele en mystieke auteurs. De vorige keer lazen we uit een tekst van François de Salignac de la Mothe-Fénélon (1651-1715). Hij sprak er ons over de liefde die altijd redelijk is.

Dit nieuwe werkjaar gaan we het over een andere boeg gooien. We zullen langere stukken lezen uit werken die dichter bij ons tot stand zijn gekomen of er hun wortels vinden. We zullen een aantal teksten lezen van een brusselaar, de zalige Jan Ruusbroec de Wonderbare, teksten van Willem van Saint-Thierry (die van onze streken afkomstig is), maar we zullen hoofdzakelijk teksten ter hand nemen van de anonieme schrijfster van de Evangelische Peerle.

Vandaag starten we met een stukje te lezen uit de Zalige Jan van Ruusbroecs werk: "Dat Rijcke der ghelieven". Het was het eerste boek dat hij schreef. Het werd wellicht geschreven tussen de jaren 1330 en 1340. Ruusbroec had geen schrijversambitie. Hij schreef eigenlijk enkel op vraag van mensen om de dingen die hij hun mondeling had doorgegeven op schrift te stellen. Op die manier konden zijn toehoorders het achteraf nog eens herlezen, bestuderen en meer eigen maken. Het was dus nog minder zijn bedoeling om die teksten te gaan publiceren, maar hij heeft niet kunnen tegengaan dat het werd doorgegeven.

Anders dan vele andere religieuze en spirituele geschriften, werden deze in het Brabantse Diets of Middelnederlands geschreven. Verschillende werken werden al vroeg naar het Latijn, het Hoog-Duist en het Engels vertaald. De teksten hebben hun lezers niet koud gelaten. Daarvan getuigen ons de grote invloed die zijn teksten op de mensen van zijn tijd hebben gehad, en nog steeds de dag van vandaag mensen boeit en hun leven verandert. De laatste decennia werd zijn werk in een grondige kritische editie met een nieuwe Engelse vertaling heruitgegeven. Onder andere Chinese en Japanse vertalingen maken zijn geschriften sindsdien toegankelijk voor een heel nieuw publiek. Ook wij zullen ons er dus op wagen ons te verdiepen in die prachtige teksten. Teksten die enorm rijk zijn, maar die niet altijd even gemakkelijk te begrijpen zijn.

Muziek:

Close-up

Laten we Ruusbroec even wat beter situeren toen hij zich nog niet had teruggetrokken als kluizenaar in Groenendaal, en nog kapelaan was van de (toen) Collegiale kerk van Sint-Goedele. Luisteren we even naar een korte beschrijving uit "Het leven van Ruusbroec" van Pomerius:

Toen Jan van Ruusbroec nog als priester in de wereld leefde, schonk hij so weinig aandacht aan zijn uiterlijk dat hij -- voor wie hem slechts op afstand kende -- een arme stakker leek. Hij was een rustig en zwijgzaam man, armoedig gekleed, maar beschaafd in de omgang. Hij liep door de straten van de stad zoals een kluizenaar dat zou gedaan hebben. Bovendien kwam hij maar weingi buiten, want de rust van het beschouend gebed was hem veel liever dan uiterlijkheden. Zo gebeurde het eens dat hij door de straten van Brussel wandelde, volkomen opgeslorpt door hemelse gedachten. Toen een paar burgers hem zagen voorbijgaan en zijn eenvoudig uiterlijk opmerkten, zize de één tegen de ander: "Was ik ook maar zo heilig als de priester die daar voorbijgaat." Waarop zijn gezel repliceerde: "Voor al het goud van de wereld zou ik niet in zijn geval willen verkeren, want dan was het voor mij uit met alle plezier."
Ruusbroec hoorde dit toevallig en antwoorde in stilte bij zichzelf: "Hoe weinig kunt gij vermoeden heoveel zoetheid die mensen voelen die Gods geest mogen smaken."

Muziek:

Het Rijcke der Ghelieven / De tekst zelf

Voorrede

Eigenlijk zouden we de teksten moeten kunnen lezen in het Brabantse Diets of Middelnederlands, omdat het zoveel mooier en rijker is. Maar gezien dat wellicht vele luisteraars zouden durven afhaken zullen we enkel maar hier en daar de mooiste stukken even laten nazinderen in hun oorspronkelijke vorm. Het grootste deel zullen we lezen uit een hertaling van de Jezuïet Prof. Lod. Moereels

Ruusbroec begint zijn werk over het Rijk der godminnende zielen met een kort bijbelcitaat uit het boek Wijsheid.

"De Heer heeft de gerechte teruggeleid langs rechte wegen en hem het Rijd Gods getoond" (Wijsh. 10, 10).

Vervolgens zal hij deze zin helemaal uiteen rafelen, en zijn heel werk daaraan ophangen. We laten nu Ruusbroek aan het woord in de rest van zijn voorrede.

Met deze woorden leert de Wijzeman ons vijf dingen.
Ten eerste, doordat hij zegt: 'De Heer', wijst hij ons op zijn almacht; want Hij is een heer over alle schepselen.
Ten tweede, door de woorden; 'heeft teruggeleid', duidt hij ons op de val en het verdolen van de mens, en op Gods mededogen en ontferming, doordat Hij de mens heeft teruggeleid vanuit de val der erfzonde, uit de verdwaaldheid naar de rechte weg, uit de dood tot het leven.
Door het derde woord: 'de gerechte', toont hij ons Gods liefde en genadigheid; want om ons te rechtvaardigen onderging Hij de dood met grote liefde en verlangen.
Ten vierde spreekt hij over de 'rechte wegen', en daarmee geeft Hij ons te verstaan Gods grondeloze wijsheid en de mildheid, die Hij ons heeft betoond door zijn menigvuldige gaven; en die drijven de mens tot de beoefening der deugden, waarmee de rechte wegen bedoeld zijn.
En als hij ten vijfde spreekt: 'en Hij toonde hem het rijk Gods', verstaan wij daaronder het doel en de reden van al het werken van God, nl. dat de mens het rijk Gods, d.i. God zelf, moge aanschouwen en Hem in eeuwigheid genieten.

Dat tweede deel gaan we straks in het hoofdstuk dat hij daaraan wijdt van naderbij bekijken, maar laten we dat stukje uit zijn voorrede even herbeluisteren, maar nu in het Brabantse Diets:

Inden anderen daer hy spreect "Hy hevet wederleydet", daer toent hy ons den val ende dat verdolen des menschen, ende Gods compassie ende sine ontfermhertigheyt in dien dat Hy den mensche hevet wederleydet vanden valle der erfzonden, vander dolinghen ten rechten weghe, vander doot ten levene.

Muziek:

Hst 2.

In het tweede hoofdstuk waar we nu even willen doorlopen, gaat Ruusbroec ons spreken over de menswording van Jezus, en van de zeven sacramenten waardoor Hij de mens heeft herschapen.

Het tweede punt is het woord, dat Hij spreekt: 'Hij heeft teruggeleid'. Niemand behoeft teruggeleid te worden of wordt teruggeleid dan de verdwaalde. Welnu, de menselijke natuur is gevallen door de zonde van de eerste mens; en de natuur, die vrij was is een kerker geworden, een gevangenis, een ballingschap en een dwaalweg en een verdolen, voor allen die er in geboren worden, want zij zijn kinderen van de ongehoorzaamheid.
Nu heeft God onze natuur aangenomen en de mens teruggeleid, doordat Hij daarin voor zijn Vader ootmoedig, gehoorzaam en dienstbaar is geweest, en de mensen trouw diende door zijn leer, zijn voorbeeld en zijn goedertierenheid; Hij heeft gezwoegd in karitate en geleden met zachtmoedigheid en geduld, en door zijn sterven in minne heeft Hij de schuld betaald in gerechtigheid, en de menselijke natuur verlost en zijn alle mensen, die in Christus herboren worden, vrij.

Het is allemaal zo vanzelfsprekend en eenvoudig voor Ruusbroec. Wij hebben de neiging om het allemaal heel ver te gaan zoeken. Voor hem is het eenvoudig, kristalhelder en klaar hoe de vork aan de steel zit. Hij doet eigenlijk niets anders dan de basis van ons geloof op een rijtje gezet. Hij zal nu ook de zeven sacramenten overlopen. De heilige tekens van Gods overgrote liefde voor ons.

Muziek:

Luisteren we nu hoe Ruusbroec de eerste twee sacramenten beschrijft en uitlegt:

Wie in Christus wil herboren worden en vrij zijn, moet gelovig zijn en hij moet het eerste sacrament, dat van het doopsel ontvangen, dat een teken is van geestelijke zuivering, en een herkleding in de christelijke gemeenschap dank zij een nieuw leven; hij moet de duivel en zijn dienst verzaken en Christus trouw beloven.
Hem wordt gegeven het kleed der onschuld, dat wil zeggen: zijn ziel wordt bekleed met de dood en de verdiensten van Christus; dat kleed moet hij beloven onbevlekt van zonden te brengen voor Gods oordeel.
En hij ontvangt vier dingen: het eerste is een kwijtschelding van de eeuwige pijn; het tweede, dat hij waardig bevonden wordt voor de eeuwige vreugde; het derde is de goddelijke genade om alle uren vooruitgant te maken in nieuw deugden; en het vierde is de deelachtigheid aan al het goede dat ooit gedaan wer en immermeer gedaan zal worden.
Om zijn belofte beter te kunnen houden en vermeerdering van genade te verkrijgen, moet de mens het tweede sacrament ontvangen, dat heet vomsel of sterking, en zal hij begeren het kruis van Christus te dragen tegen de vijand en tegen zijn eigen vlees in.
Daarom worden hem drie dingen gegeven: ten eerste, de genade Gods wordt vermeerderd; ten tweede, de duivel wordt verzwakt en ontziet de mens meer; ten derde, de mens wordt gesterkt in alle deugden. Aldus wordt de mens in het doopsel herboren en verheven, en gesterkt in het vormsel.

Muziek:

Luisteren we nu hoe Ruusbroec de twee volgende sacramenten beschrijft en uitlegt:

Omdat de mens evenwel door de hovaardigheid van zijn gemoed, door de begeerlijkheid van zijn ziel en de zinnelijkheid van het lichaam vaak in eigen, persoonlijke zonden valt, zijn belofte breekt en zijn ziel besmet, Gods genade verliest, en de dood en verlossing van Christus versmaadt, -- hij is immers onstandvastig -- daarom wil de Heer, die Hem geschapen en door zijn dood herschapen heeft, hem niet verloren laten gaan, maar heeft Hij integendeel aan zijn Kerk het derde sacrament, dat der biecht, dat is berouw over zijn zonden, toevertrouwd.
Daarbij zijn van 's mensen wege vier dingen vereist, die moeten geschieden door een inwerking van God. Het eerste is een waarachtig leedwezen over al wat men ooit misdeed; het tweede een onverdeelde wil om nooit weer zonde te bedrijven; het derde, een volkomen wil om voldoening te schenken aan wat de heilige Kerk inzake belijdenis en boete oplegt, naar het oordeel van de priester; het vierde is een vurige begeerte God voor altijd te dienen in nederige gehoorzaamheid, van Hem te verhopen, de eeuwige zaligheid, en zijn zonden te belijden in grote droefenis. Deze vier punten moet de mens rechtens en noodzakelijk bezitten: dan worden hem zijn zonden vergeven en meer genade geschonken dan hij te voren bezat, en wordt hij deelachtig aan de verdiensten van de heilige Kerk.
Omdat hij uit de ballingschap naar zijn vaderland komt, van den vreemde naar zijn vrienden, van armoede tot rijkdom, van dood tot het leven, en van droefheid tot blijdschap, daarom heeft Christus het vierde sacrament ingesteld als een voortreffelijk gastmaal, dat is zijn lichaam en bloed tot spijs en drank, opdat wij ons met Hem verenigen zouden en nooit meer van Hem scheiden. Dit sacrament moet de mens ontvangen met ootmoedige hoogachting en vol eerbied: want hij ontvangt degene, die hem en alle dingen geschapen heeft. Hij moet Hem ook ontvangen met innige, verlangende overgave: want Hij is degene die voor hem gestorven is uit trouwe minzaamheid, en die hem zichzelf wil geven tot in de eeuwigheid.

Muziek:

Ten slotte luisteren we nu hoe Ruusbroec de drie laatste sacramenten beschrijft en uitlegt:

Het vijfde sacrament is dat van het priesterschap: het scheidt de mens van aardse genoegens en bezigheden, en wijdt hem in grote vrede en waardigheid aan God toe, indien hij het naar behoren en recht ontvangt.
Hem wordt onderscheiding gegeven in alles wat de beoefening der deugden betreft en hij wordt vereerd met en verheven tot een bijzondere adel, en het merkteken ervan blijft in eeuwigheid.
Het zesde sacrament is het huwelijk, opdat de mens, die in de wereld blijft, naar wet en recht zou leven, de een aan de ander trouw belove en die trouw beware tot in de dood.
Het zevende sacrament is het heilig oliesel: dit moet de mens verlangend ontvangen, als hij meent niet lang meer te zullen leven, opdat hem zijn dagelijkse en vergeten zonden worden vergeven krachtens dat sacrament en het gebed van de priesters en van de heilige Kerk.
Dit zijn de zeven sacramenten, die de mens van de eeuwige dood van de erfzonde en van de eigen zonden, alsook van de dagelijse zonden terugleiden, die hem wapenen tegen de duivel en in de dienst van God bekwamen of hem een wettig leven bezorgen in deze tijd. Dit was dan het tweede van de vijf hoofdpunten; hoe de Heer de mens tot Hemzelf heeft teruggeleid krachtens zijn dood en de zeven sacramenten.

Slot

Dit nieuwe werkjaar gooien we het over een andere boeg zoals jullie wel hebben kunnen merken. We lezen langere stukken uit werken die dichter bij ons tot stand zijn gekomen of er hun wortels vinden. We hebben vandaag een aantal teksten gelezen van een brusselaar, de zalige Jan Ruusbroec de Wonderbare, maar zullen ook teksten van Willem van Saint-Thierry en hoofdzakelijk teksten van de anonieme schrijfster van de Evangelische Peerle lezen.

We stappen binnenkort het jaar van het geloof binnen, en krijgen bij teksten uit de Zalige Jan van Ruusbroecs werk: "Dat Rijcke der ghelieven" een stevige basis om over ons geloof na te denken. Met de overige teksten die we zullen lezen willen we eveneens de basis van ons christelijk geloof aan bod laten komen. Met de anonieme schrijfster van de Evangelische Peerle zullen we de verschillende tijdeigen feesten doorheen het liturgisch jaar aansnijden. Wellicht komen we er niet toe om alles wat ze behandelt te lezen of te bespreken, maar hopelijk vinden we genoeg tijd om de smaak ervan te pakken te krijgen en de rijkdom van die literatuur voor ons spiritueel leven te ontdekken.