Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.
Beste luisteraar, vorige keer luisterden we naar een tekst van Madeleine Morice (1736-1769), uit een verslag van 20 november 1766 aan M. Vavasseur. Ze spreekt ons over "Een liefde die alles neemt...". Vanaf haar kinderjaren was ze begenadigd met indrukwekkende mystieke verschijnselen (met name de stigmata). Het fragment dat we toen hebben beluisterd gaf in de uiterst radicale en verticale overgave uitstekend het hoofdthema van de mystici van de achttiende eeuw weer.
Deze keer lezen we een tekst van François de Salignac de la Mothe-Fénélon (1651-1715), genomen uit een brief aan de hertog van Bourgondië.
Muziek:
Fénélon - zoals we François de Salignac de la Mothe-Fénélon kortweg noemen - komt uit een oude adelijke familie uit de Périgord en studeert bij de Jezuïeten en bij de Sulpiciens. Hij wordt priester gewijd in 1675, maakt deel uit van de entourage van Lodewijk XIV en van Madame de Maintenon en wordt huisonderwijzer van de troonopvolger, de hertog van Bourgondië. In deze kring zal hij Madame Guyon ontmoeten, van wie hij een vurige leerling wordt en later een onvoorwaardelijk verdediger tegenover Bossuet. In 1695 wordt hij aartsbisschop van Cambrai en nadat hij half in ongenade is gevallen na de veroordeling - meer om politieke dan om doctrinaire redenen - van zijn Maximes des Saints in 1699, ontpopt hij zich als een voorbeeldig man van God en pastor: de laatste vertegenwoordiger van de Gouden Eeuw van de Franse spiritualiteit, tegenover het zich uitbreidend Jansenisme en Gallicanisme.
Muziek:
U luistert naar het programma Binnenskamers op Radio Spes, we lezen een tekst van Fénélon die handelt over "De liefde die altijd redelijk is".
Fénélon laat een omvangrijk pedagogisch, spiritueel en politiek oeuvre na. Als huisonderwijzer van de hertog van Bourgondië, droomt hij voor zijn leerling (die zal sterven alvorens de troon te bestijgen) van een vorming die er een nieuwe Saint-Louis van zou maken en hij baseert zijn opvoeding op de liefde voor God en voor de naaste. Deze bladzijde kon van François de Sales zijn, die hij bewonderde, zelfs al hebben de toon en de taal van het hof van de Zonnekoning de frisheid van dat van Hendrik IV enigszins verloren.
Muziek:
Laten we nu het eerste paragraaf lezen van de tekst van Fénélon, die we halen uit zijn brief aan de hertog van Bourgondië.
Par.1 De liefde tot God vraagt niets anders van ons dan een onschuldige en geordende levenswandel. Zij wil alleen dat we alles wat we redelijkerwijs moeten doen, voor God doen. Het gaat er niet om iets toe te voegen aan de goede daden die wij reeds stellen, maar dat we uit liefde voor God doen wat fatsoenlijke mensen die goed leven doen omwille van de eer en de liefde voor zichzelf. Het enige wat we moeten weglaten is het kwaad, dat we in elk geval moeten weglaten, ook al hadden we geen ander beginsel dan de rede...
(Par. 1) Als God liefde is, is de mens rede: ziedaar waarom er geen tegenstelling tussen deze twee zou mogen zijn in het chirstelijk leven, dat wil zeggen in het leven van God die mens wordt. Christen zijn vraagt van ons niet dat we een ander leven leiden dan het normaal menselijke, maar dat we het doen "uit liefde voor God", daar waar de niet-christen het doet uit eigenbelang, gewoonte of morele overwegingen.
Muziek:
Par.2 Deze liefde voor God vraagt gewoonlijk geen opzienbarende en heroïsche daden of dat we afstand doen van de goederen die we rechtmatig verworven hebben, of dat we afzien van de voorrechten die eigen zijn aan elke stand. Zij wil alleen dat we billijk, sober en gematigd zijn in het passend gebruik van al deze dingen; zij wil alleen dat we er onze god en zaligheid niet van maken, maar dat we er gebruik van maken volgens Zijn wil en met het oog op Hem.
Par.3 ... Verre van een bijkomende belasting te zijn bovenop alle andere geboden, maakt het gebod van de liefde integendeel alle andere geboden zacht en licht. ... Deze liefde ontregelt, verstoort of verandert niets aan de orde die God heeft ingesteld. Zij laat de groten in hun grootheid, en maakt hen klein en gezeglijk tegenover Degene die ze groot heeft gemaakt. Zij laat de kleinen in het stof, tevreden dat zij niets zijn tenzij in Hem. Deze tevredenheid op de laatste plaats heeft geen enkele minderwaardigheid en geeft een werkelijke grootheid.
(Par. 2-3) De eeuw van Fénélon is de eeuw van de rede, waarin elk ding zijn juiste plaats krijgt, en waarin de christen "de orde die God heeft ingesteld" - en die hij met liefde heeft ingesteld - herkent. De heiligheid vraagt niet dat wij deze orde (waarover Lodewijk XIV onverdeeld regeert) verlaten, maar dat ook wij deze bewonen met liefde, wat de enige maat is van onze "werkelijke grootheid".
Muziek:
Par.4 Deze liefde regelt en bezielt alle andere liefdes die wij aan de schepselen verschuldigd zijn. Wij kunnen onze naaste nooit méér beminnen dan omwille van God en onze liefde voor Hem. ... Hoe komen we er dan toe onze vrienden te beminnen? We moeten hen beminnen voor God; dat wil zeggenGod in hen beminnen; beminnen wat hij erin gelegd heeft en uit liefde voor Hem het tekort dat Hij er niet in legt, verdragen. ... De liefde voor God wil in hen niets méér vinden dan wat God erin gelegd heeft; ze beschouwt in hen alleen God en zijn gaven: voor haar is alles goed, als ze maar liefheeft wat God gemaakt heeft en als ze verdraagt wat God niet gemaakt heeft, maar wat Hij toegelaten heeft en waarvan Hij wil dat wij het verdragen zodat we ons houden aan zijn beschikkingen.
(Par. 4) Vertrekkend van deze lofzang op de rede, neemt de mystieke Fénélon zijn vlucht: wanneer de plaats van elk ding gerespecteerd wordt volgens "de orde van God", geeft God zich aan ons doorheen elk ding. Elke concurrentie tussen Schepper en schepsel verdwijnt: alles wordt ontvangen zoals God het geeft, alles wordt gegeven zoals God het vraagt; en volgens de maat waarwee God het geeft of vraagt, wordt alles aanleiding tot vereniging met God.
Muziek:
Par.5 ... Het is waar dat deze liefde niet altijd zacht en voelbaar is; maar zij is echt, innig, trouw, standvastig, doeltreffend, en uit het diepst van mijn hart prefereer ik haar boven elke andere liefde. Zij heeft zelfs haar tederheden en haar verrukkingen: een ziel die aan God toebehoort, verdort niet meer en wordt niet meer vernauwd door de kieskeurigheid en de onstandvastigheid van de eigenliefde: omdat zij alleen omwille van God liefheeft, bemint zij zoals God. ... De liefde voor God is in het hart een levende bron voor de tederste, de sterkste en de mooiste gevoelens. Niets is zo droog, zo koud, hard en verengd als een hart dat alleen zichzelf in alle dingen bemint. Niets is zo teer, open, levendig, zacht, beminnelijk en liefhebbend als een hart dat door de goddelijke liefde bezeten en bezield wordt.
(Par. 5) Vrij tegenover alles, wordt de liefhebbende ziel vrij tegenover zichzelf en maakt ze zich niet meer bezorgd of ze deze liefde - die van de orde van het zijn is ("echt, trouw, standvastig, doeltreffend") en niet van de impressie - al dan niet voelt: hoe minder ze zich dus om zichzelf bekommert, hoe meer ze zich verheugt in het geluk te beminnen met Gods liefde zelf.
Muziek:
Ziezo beste luisteraar, vooralleer we deze bijdrage van Binnenskamers afronden nemen we de tekst van Fénélon nogmaals in zijn geheel door, om die nog beter tot ons te laten doordringen: Paragrafen 1-4
Muziek:
Deze keer hebben we gelezen uit een tekst van François de Salignac de la Mothe-Fénélon (1651-1715). Hij komt uit een oude adelijke familie uit de Périgord en studeert bij de Jezuïeten en bij de Sulpiciens. Hij wordt priester gewijd in 1675, maakt deel uit van de entourage van Lodewijk XIV en van Madame de Maintenon en wordt huisonderwijzer van de troonopvolger, de hertog van Bourgondië (aan wie de brief is gericht waaruit we hebben gelezen). In 1695 wordt hij aartsbisschop van Cambrai (of beter gekend als bisdom of aartsbisdom Kamerijk, waartoe onze streek hier tot in 1559 behoorde). Nadat hij half in ongenade is gevallen na de veroordeling - meer om politieke dan om doctrinaire redenen - van zijn Maximes des Saints in 1699, ontpopt hij zich als een voorbeeldig man van God en pastor: de laatste vertegenwoordiger van de Gouden Eeuw van de Franse spiritualiteit, tegenover het zich uitbreidend Jansenisme en Gallicanisme.
Volgende keer, na een heel werkjaar steeds een andere mystieke auteur te hebben voorgesteld, gaan we het volgend jaar over een andere boeg gooien. We zullen langere stukken lezen uit werken die dichter bij ons tot stand zijn gekomen of er hun wortels vinden. We zullen een aantal teksten lezen van een brusselaar, de zalige Jan Ruusbroec de Wonderbare, teksten van Willem van Saint-Thierry (die van onze streken afkomstig is), maar we zullen hoofdzakelijk teksten ter hand nemen van de anonieme schrijfster van de Evangelische Peerle. Volgende maand starten we met een stukje te lezen uit Ruusbroecs werk: "Dat Rijcke der ghelieven". Het was het eerste boek dat hij schreef. Het werd wellicht geschreven tussen de jaren 1330 en 1340. Ruusbroec schreef eigenlijk enkel op vraag van mensen om de dingen die hij hun mondeling had doorgegeven op schrift te stellen, zodat zijn toehoorders het achteraf nog eens zouden kunnen herlezen, en om het daardoor meer eigen te kunnen maken. Het was dus helemaal niet zijn bedoeling om het te gaan publiceren, maar hij heeft niet kunnen tegengaan dat het werd doorgegeven. Ook wij zullen ons eraan wagen om ons te verdiepen in die prachtige teksten. Teksten die enorm rijk zijn, maar die niet altijd even gemakkelijk te begrijpen zijn.
Tot volgende maand.