Binnenskamers

Elfde editie
Madeleine Morice (1736-1769): Een liefde die alles neemt...

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

Beste luisteraar, vorige keer luisterden we naar een tekst van de heilige Jean Eudes, die enorm veel heeft geschreven. Behalve La Vie et le Royaume de Jésus dans les âmes chrétiennes - samenvatting van zijn missiepreken - vermeldden we zijn werken over de Heilige Harten van Jezus en Maria, veertig jaar voor de verschijningen van Paray-le-Monial. Die tekst handelde over het onvervangbaar gebed! Hij stichtte twee congregaties, waaronder Eudisten die zich ten dienste stelden van de priesteropleiding. Zijn invloed op de Franse clerus zal zich door de eeuwen heen laten gevoelen.

Deze keer lezen we uit een tekst van Madeleine Morice (1736-1769), uit een verslag van 20 november 1766 aan M. Vavasseur. Ze spreekt ons over "Een liefde die alles neemt...".

Muziek:

De auteur

Madeleine werd geboren in een kinderrijk Bretoens boerengezin. Haar korte leven (+/- 33 jaar) heeft ze doorgebracht in de Morbihan, als dienstmeisje in een kasteel. Vanaf haar kinderjaren was ze begenadigd met indrukwekkende mystieke verschijnselen (met name de stigmata). Tot aan haar achtentwintigste jaar kon ze lezen noch schrijven. Daarna schreef ze enkele teksten, op vraag van haar geestelijke leiders. Daarin herkent men een sterke invloed van de grote missionarissen uit het westen van Frankrijk: de heilige Jean Eudes en L.M. Grignon de Montfort. Het fragment dat volgt geeft in de uiterst radicale en verticale overgave uitstekend het hoofdthema van de mystici van de achttiende eeuw weer.

Muziek:

De tekst

U luistert naar het programma Binnenskamers op Radio Spes, we lezen een tekst van Madeleine Morice die handelt over "Een liefde die alles neemt...".

Laten we nu het eerste paragraaf lezen van de tekst van Madeleine Morice, die we halen uit haar verslag van 20 november 1766 aan M. Vavasseur.

Par.1 Plots bevonden de vermogens van mijn lichaam en van mijn ziel zich in een grote vrede en heerlijkheid die, zo leek het, voortkwam uit de aanwezigheid van God in mijn innerlijk. Ik zag Hem, wonend in mij, terwijl Hij talrijke gaven bewerkte die de ziel in slaap houden. In deze slaap geniet de ziel, ze ontvangt zonder iets te doen, en ze weet niet hoe ze geniet; ze voelt alleen deze heerlijkheid en vredevolle rust die afkomstig zijn van een zekere ervaring van Gods aanwezigheid in haar.

(Par. 1) God nodigt zichzelf steeds uit zonder vooraf te verwittigen! En de uitwerking van zijn aanwezigheid is altijd dat Hij de ziel tot onmacht brengt ("de ziel in slaap"), terwijl Hijzelf in haar werkzaam is ("terwijl Hij talrijke gaven bewerkte"), en wat zij met vreugde gewaar wordt ("deze heerlijkheid en vredevolle rust").

Muziek:

Par.2 De ziel beselft echter heel goed dat het de aanwezige God is die haar dat alles geeft. Hij geeft haar ook een grote zekerheid van Zijn aanwezigheid, en een ervaring van het feit dat Hij God is, goed, almachtig en barmhartig, dat Hij haar Hoogste Goed is en haar uiteindelijke bestemming. De ziel bemerkt dat ze al deze dingen op een totaal andere manier kent dan wanneer ze erover nadacht of wanneer ze erover hoorde redeneren. Op dat moment heb ik de indruk dat mijn ziel in het verstand de zekerheid ontvangt over de dingen van het geloof en in de wil sterke en vurige verlangens om alle deugden in praktijk te brengen. Deze toestand houdt de ziel in God, op zo'n manier dat ze meer in Hem is dan in zichzelf: de liefde die haar meegedeeld wordt is een gewicht dat haar doet overhellen en vloeien naar haar Geliefde.

(Par. 2) Het effect van deze goddelijke werking is een nieuwe wijze van kennen en beminnen, van een onzegbare intensiteit ("in het verstand de zekerheid..., in de wil de sterke en vurige verlangens"), die de ziel uit haar centrum haalt om haar op God te richten ("op zo'n manier dat ze meer in Hem is dan in zichzelf"), en die haar doet zwichten voor een steeds sterkere aantrekking tot haar beminde.

Muziek:

Par.3 De wil is gevangen; niets vreest de ziel zozeer dan dat ze terugkeert naar haar vrijheid. Ze vreest ontrouw te zijn, en dat God haar achterlaat om zich elders te laten beminnen. Dat is een kwelling en de ziel is er heel angstig om. Ze kan geen smaak meer vinden in de schepselen; ze gelooft dat ze daarmee God onrecht zou aandoen. Hij wil immers dat men Hem alleen liefheeft en dat men zich losmaakt van de dingen die alleronschuldigst lijken. Ze wordt werkelijk gevoelloos voor de tijdelijke zaken en is alleen tot deze vorm van gebed in staat, behalve wanneer ze zich buiten deze slaap, die het gevolg is van Gods aanwezigheid, bevindt. Nochtans geniet ze van deze rust zonder er ook maar een beetje aan gehecht te zijn, helemaal bereid om er nooit meer van te genieten als God dat wil.

(Par. 3) Door voor deze aantrekking te zwichten, wordt de ziel meer en meer de gevangene van de liefde, afgescheiden van alles wat niet de liefde is, zozeer dat ze "gevoelloos voor de tijdelijke zaken" wordt. Deze zwakheid, want dat is het inderdaad, verdwijnt meestal met verloop van tijd. Hoe dan ook, de pijn van de ziel is niet gelegen in deze afscheiding, maar wel in de vrees dat de liefde zijn greep zal verminderen ("Ze vreest ... dat God haar achterlaat om zich elders te laten beminnen"). En tegelijk zou de ziel voor niets ter wereld beslag willen leggen op deze liefde, die immers maar mogelijk is in wederzijdse vrijheid van de partners: ze geniet ervan "zonder er ook maar een beetje aan gehecht te zijn, helemaal bereid om er nooit meer van te genieten als God dat wil".

Muziek:

Voor wie het begin van deze uitzending niet heeft gehoord: U luistert naar het programma Binnenskamers op Radio Spes, we lezen uit een tekst van Madeleine Morice die handelen over "Een liefde die alles neemt...".

We snijden nu het vierde paragraaf aan van die tekst.

Par.4 In deze gewijde rust leert mijn ziel zich danig in te spannen om haar driften te versterven en de deugden te beoefenen. Ze leert op een hoge en verheven manier de bitterheid van het kruis en van het lijden te aanvaarden. Ik voel dat ze meer overtuigd is en meer genegen om het misprijzen en de vernederingen te ondergaan, dat wil zeggen: alles wat aan God zal behagen. Deze toestand dwingt me zo sterk om al lijdend te beminnen, dat ik geen onderscheid meer maaktussen de kruisen en de liefde. Ik voel in het diepste van mijn hart een volledige instemming met alle gebeurtenissen die God wil, een totale instemming dat hij met mij doet al wat Hem behaagt, wat me naar mijn aanvoelen een grote overgave aan de goddelijke en heel beminnelijke Voorzienigheid geeft, en me alle onrust over mijn volmaaktheid ontneemt. Mijn ziel is onverschillig voor vrede of oorlog, voor actie of gebed. Ik wil wat God wil, niets meer.

(Par. 4) Deze schijnbaar tegenstrijdige gevoelens lossen zich op in een groeiende overgave aan de goddelijke wil: een actieve overgave in een steeds grotere gelijkenis van de wil van de ziel aan de wil van God, en een passieve overgave, in een groeiende onverschilligheid, aan deze wil, tot ze zich zelfs geen zorgen meer maakt of ze er al dan niet mee overeenstemt ("en me alle onrust over mijn volmaaktheid ontneemt").

Muziek:

Ziezo beste luisteraar, vooralleer we deze bijdrage van Binnenskamers afronden nemen we de tekst van Madeleine Morice nogmaals in zijn geheel door, om die nog beter tot ons te laten doordringen: Paragrafen 1-4

Muziek:

Slot:

Deze keer luisterden we naar teksten van Madeleine Morice (1736-1769), uit een verslag van 20 november 1766 aan M. Vavasseur. Ze spreekt ons over "Een liefde die alles neemt...".

Ze werd geboren in een kinderrijk Bretoens boerengezin. Haar korte leven (+/- 33 jaar) heeft ze doorgebracht in de Morbihan, als dienstmeisje in een kasteel. Vanaf haar kinderjaren was ze begenadigd met indrukwekkende mystieke verschijnselen (met name de stigmata). Tot aan haar achtentwintigste jaar kon ze lezen noch schrijven. Daarna schreef ze enkele teksten, op vraag van haar geestelijke leiders. Daarin herkent men een sterke invloed van de grote missionarissen uit het westen van Frankrijk: de heilige Jean Eudes (waarvan we vorige keer genoten hebben van zijn schrijverstalent) en L.M. Grignon de Montfort. Het fragment dat dat we hebben beluisterd geeft in de uiterst radicale en verticale overgave uitstekend het hoofdthema van de mystici van de achttiende eeuw weer.

Volgende keer lezen we een tekst van François de Salignac de la Mothe-Fénélon (1651-1715), genomen uit een brief aan de hertog van Bourgondië.

Fénélon - zoals we hem kortweg noemen - komt uit een oude adelijke familie uit de Périgord en studeert bij de Jezuïeten en bij de Sulpiciens. Hij wordt priester gewijd in 1675, maakt deel uit van de entourage van Lodewijk XIV en van Madame de Maintenon en wordt huisonderwijzer van de troonopvolger, de hertog van Bourgondië. In deze kring zal hij Madame Guyon ontmoeten, van wie hij een vurige leerling wordt en later een onvoorwaardelijk verdediger tegenover Bossuet. In 1695 wordt hij aartsbisschop van Cambrai en nadat hij half in ongenade is gevallen na de veroordeling - meer om politieke dan om doctrinaire redenen - van zijn Maximes des Saints in 1699, ontpopt hij zich als een voorbeeldig man van God en pastor: de laatste vertegenwoordiger van de Gouden Eeuw van de Franse spiritualiteit, tegenover het zich uitbreidend Jansenisme en Gallicanisme.