Binnenskamers

Zevende editie
Jeanne Schmitz-Rouly (1891-1979), Journal Spirituel, 1962-1966, parn. 51-55.

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

In de vorige editie, zijn we met teksten van talrijke Rijnlandse en Vlaamse auteurs, van Eckhart tot Ruusbroec of zijn tijdgenoot Rulman Merswin, tot ons gekomen in een bundeling, de Institutiones genaamd, onder de naam van Tauler. Deze compilatie is een van de vele vruchten van de grootse uitgeversactiviteit die de Jezuïeten en Kartuizers van Keulen in de 16de eeuw aan de dag legden en die aan de oorsprong lag van de verspreiding van de mystiek van het noorden in heel Europa.

Nu willen we even gaan kijken naar teksten die veel spontaner tot stand zijn gekomen. Het zijn eenvoudige notities van ervaringen, opgesteld zoals een dagboek, om de pastoor in staat te stellen bij een specialist raad te vragen of dit wel een juiste en aan te bevelen geloofservaring betrof. Het stukje dat we vandaag gaan lezen spreekt ons over het geluk dat we hebben om God te beminnen.

Muziek:

De auteur

De auteur van deze teksten is Jeanne Schmitz-Rouly. Ze werd in 1891 geboren te Bergen (Mons), en bracht het grootste gedeelte van haar leven in Brussel door. Ze was moeder van drie kinderen, en werd weduwe in 1942. Ze overleed in 1979. De teksten die we van haar hebben, werden toevallig teruggevonden in 1995, en zijn gekenmerkt door een zeldzame mystieke heftigheid. Dat rijke innerlijke leven is nochtans voor de mensen in haar omgeving volledig onopgemerkt gebleven. Haar zoon priester, waarbij ze inwoonde op het einde van haar leven, herinnerde zich enkel dat ze na een verhuis haar exemplaar van de schriftjes niet meer terugvond, en dat ze er heel erg mee inzat dat die ergens verloren zouden zijn geraakt.
De specialist waarbij de pastoor van haar parochie raad had gevraagd, hield een kopie van die teksten bij hem in zijn kamer. In 1995 toen zijn kamer moest opgeruimd worden door een medebroeder van hem, zijn die teksten - gelukkig voor ons - weer boven komen drijven.

Muziek:

De tekst

De notities van Jeanne omvatten acht schriften, waarvan er twee gepubliceerd zijn. Onhandig geschreven - ze waren niet tot een lezerspubliek gericht - laten ze des te beter Gods werkzaamhied in haar zien. Men herkent sporen van haar lectuur van Johannes van het Kruis, Theresia van Avila en Theresia van Lisieux. Dankzij hen kan ze voor zichzelf steeds beter uitleggen wat haar overkomt. Afwisselend met momenten van diepe innerlijke dorheid - die zeldzamer worden in de loop van de jaren - geven de momenten van vervulling die ze krijgt ons een levend getuigenis van Gods binnenbreken in een leven, wat ze uitdrukt in de woorden en met de gevoeligheden van onze tijd.

Je kan de tekst die hier zal worden voorgelezen terugvinden in haar "Journal Spirituel, 1962-1966" paragrafen 51-55.

Muziek:

Laten we nu het eerste paragraaf aanpakken van de tekst die we vandaag gaan lezen, en die handelt over het geluk om God te beminnen.

Par.1 Die dag was ik in de duisternis van het gemis van God... Maar God heeft me toen gegrepen en mijn geest in Hem meegevoerd en Hij heeft me geplaatst voor datgene wat Hij mij in het gebed wilde laten zien... Ik heb toen een licht ontvangen over wat contemplatie is. Contemplatie, dat is niet de gedachten richten. Want dat wat ik moet contempleren, ken ik zonder dat mijn gedachten daarin tussenkomen. De oriëntatie van mijn gedachten en het licht komen alleen van God...

God heeft me gegrepen, en mijn geest meegevoerd: het eigene van de mystieke ervaring is dat ze totaal onvoorbereid plaatsvindt en niet behoort tot de gewone gang van zaken. De ziel wordt hier elk initiatief ontnomen, ze kan niet meer zelf de gedachten richten: immers, de oriëntatie van de gedachen en het licht komen alleen van God.

Muziek:

Par.2 Hoe meer men contempleert, hoe meer men voelt dat men niets anders zou kunnen dan steeds weer kijken, en luisteren, en verlangen naar het licht dat van God komt. En ik dacht ineens aan die prachtige vergelijking van de heilige Theresia over het geestelijk huwelijk: "Het is zoals het water van de hemel dat in de rivier valt, en dat zich zo goed mengt met dat van de rivier, dat men het ene van het andere niet meer kan onderscheiden of scheiden..."((Theresia van Avila, De innerlijke Burcht. Zevende Verblijf. 2, 5.)) Dat is onmogelijk, dat is de evidentie zelf...
Deze vereniging met God doordringt op een habituele manier alle momenten van het leven, al onze gedachten. Het contemplatief of mystiek leven is een levensstaat, een gave waarlangs God veel zal eisen, want er is ons veel gegeven. Maar het is een staat, die dus habitueel en natuurlijk geworden is.

Jeanne ervaart dan een opgeslorpt worden van de ziel in God en van God in de ziel, waarbij "alle momenten van het leven, al onze gedachten" overgaan in Hem. Deze vergoddelijking is eigen aan elk christelijk leven, maar men spreekt van een mystieke ervaring wanneer, zoals hier, men zich ervan bewust wordt. Vanaf dat ogenblik wordt heel het mentale leven in één richting georiënteerd, men voelt dat men niets anders zou kunnen dan steeds weer kijken, zelfs wanneer na verloop van tijd het emotionele niveau van deze ervaring zal verminderen ten voordele van een pure transparantie voor de goddelijke werking.

Muziek:

Het derde paragraafje zullen we pas bespreken na dat we het vierde hebben gelezen.

Par.3 ... Plots voelde ik in mij de verschrikkelijke en onverklaarbare - met niets te vergelijken - pijnen van de verlatenheid... En ik leed zozeer dat ik dacht gekneld te zijn in een bankschroef van lijden. Ik voelde een afgrond, of beter: ik voelde het niets vóór me. Ik was door God verlaten en ik denk dat ik het nooit zo sterk ervaren heb... En dan, ik weet niet op welk moment, werd me de onzegbare en niet te beschrijven Aanwezigheid van God teruggegeven in haar volledige realiteit. Het was de contemplatie die u verzwelgt zoals het water van de oceaan, de gelukzalige toestand waarvoor God ons geschapen heeft. En ik wist niet meer dat ik geleden had. Of, als ik het wist, was het alsof ik het niet meer wist. Want deze vreugde die God zelf u geeft wist alles uit.

Muziek:

Par.4 Dit is me overkomen na twee dagen van onophoudelijke strijd tegen de bekoringen van weerzin voor de volmaaktheid. Die afschuwelijke bekoring van ontmoediging in de duisternis waarin men God ontbeert. Ik word wakker en ik zie, of beter, ik drink deze woorden: "In Hem zijn wij, uit zijn Leven ontvangen wij het leven."((Hand. 17, 28.)) En ik zei bij mezelf: "Als men zegt: 'in Hem zijn wij', dan stort alles rondom in voor deze Werkelijkheid die alles wat men zich kan inbeelden te boven gaat. Alles." En ik zag het, en ik voelde het bovenmenselijke geluk (want dit overstijgt elke begrenzing) te weten dat het waarheid was. Alles verdwijnt, want alles moet, heel natuurlijk, verdwijnen. Want het is niet mogelijk dat het niet zou verdwijnen. En ik dacht: "Alles. Zowel de vorige eeuwen als de eeuwen die nog komen, en de vreugde en de pijn die het huidige leven uitmaken. Alles stort in, want het is rook." En mijn geluk was een verrukking van heel mijn wezen dat zich opgeslorpt voelde door God.

De afwisseling van volheid en dorheid typeert de notities van Jeanne. Niet dat God ervan houdt de zielen te kwellen, maar de gratuïteit van zijn gaven is absoluut en de pijnlijke kant van hun voelbaar uitblijven is te wijten aan de verkrampingen en het terugbuigen op onszelf, wat we van de erfzonde meegekregen hebben. Zo komt het ook dat dit aspect na verloop van tijd verzwakt, bij Jeanne en bij allen die zich door God laten opvoeden tot deze gratuïteit, zonder dewelke er geen authentieke liefde mogelijk is.
We wijzen nog op de densiteit van de beschrijving van een verzadigend geluk, wanneer God beslag legt op de ziel: de ziel weet dat ze in de werkelijkheid staat, en dat alles wat niet in God is, slechts schijn is.

Muziek:

Ziezo, vooralleer we deze bijdrage afronden nemen we de tekst nogmaals in zijn geheel door, om die - in zijn geheel voorgelezen - nog beter tot ons te laten doordringen: Paragrafen 1-4

Muziek:

Slot:

Ziezo, de uitzending van deze editie van binnenskamers komt weer tot zijn einde. We luisterden naar teksten die zeer spontaan tot stand zijn gekomen, als eenvoudige notities van ervaringen, opgesteld zoals een dagboek, om de pastoor - die onvoorbereid verrast werd door de speciale ervaringen en vragen van zijn parochiane - in staat te stellen bij een specialist raad te vragen hoe hiermee om te gaan. Het stukje van vandaag handelde over het geluk dat we hebben om God te beminnen.

Volgende keer neemt de Heilige Geertrui van Helfta ons bij de hand, en zal ons spreken over een thema dat ons misschien wat minder evident in de oren zal klinken, namelijk "Het goed gebruik van de ziekten". De heilige Geertrui is geboren in het jaar 1256, en overleed in 1301. Vanaf haar vijfde jaar werd Geertrui toevertrouwd aan de kloosterzusters van Helfta in Saxen, die onder de leiding stonden van haar naamgenote Geertrui van Hackeborn.