Binnenskamers

Zesde editie
Institutiones Taulerienses, hfdst. 8

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

In de vorige editie, zijn we met teksten van Gerlach Peters in zijn werk de Brandende Alleenspraak bezig geweest. Daarin nodigde hij ons uit om in de inkeer en de persoonlijke relatie tot Christus de zekerheid en de steun te vinden die de verzwakte christenheid uiterlijk niet meer biedt. Het waren teksten van dicht bij ons.

Deze keer zullen we ons buigen over teksten van talrijke Rijnlandse en Vlaamse auteurs, van Eckhart tot Ruusbroec of zijn tijdgenoot Rulman Merswin. Deze - in feite moeilijk te identificeren teksten - zijn tot ons gekomen in een bundeling, de Institutiones genaamd, onder de naam van Tauler. Deze compilatie is een van de vele vruchten van de grootse uitgeversactiviteit die de Jezuïeten en Kartuizers van Keulen in de 16de eeuw aan de dag legden en die aan de oorsprong lag van de verspreiding van de mystiek van het noorden in heel Europa. De Institutiones werden in het Duits uitgegeven door de Jezuïet Peter Canisius in 1543 en oefenden grote invloed uit door de latijnse vertaling van 1548 door de Kartuizer Laurens Surius. Het was het meest geliefde boek van Teresia van Avila. Wanneer het in 1559 door de Spaanse Inquisitie verboden wordt, hoort ze Christus zeggen: "Voortaan zal ik je levend boek zijn."

Muziek:

De auteur

Het geheel wordt toegeschreven aan de Duitse Dominicaan Johannes Tauler, geboren c. 1300 in Strasbourg, en overleden in (15 June) 1361. We willen hem daarom toch even vermelden en voorstellen. Hij was een mysticus en Theoloog, en werd sterk beïnvloed door Meester Eckhart, die doceerde in de abdijschool van het Dominicaans convent in zijn geboortestad Strasbourg (1312–1320), waar hij een deel van zijn opleiding kreeg.

Het waren vooral de preken van Tauler die te Leipzig in 1498 voor het eerst werden gedrukt en uitgegeven, en tien jaar later in Ausburg heruitgegeven. De latere uitgaven zijn dan aangereikt geweest met teksten van andere auteurs zoals we reeds hebben vermeld.

Muziek:

Laten we nu het eerste paragraaf aanpakken van deze bijzondere tekst.

1. De goede wil moet aan God geen vreugde vragen, geen innerlijke troost, niet één ding eerder dan een ander, maar ernaar verlangen - met alle verlangens die hij in zich heeft - Zijn aanbiddelijke wil te vervullen... Wat God bovenal van ons wil, is dat we onze wil helemaal in Zijn handen leggen en Hem alles laten doen wat Hem belieft. Daaruit vloeit de vrede voort, de waarachtige en aanhoudende vrede waarin we vreugde scheppen. Is dat niet het geval, dan heeft alles wat we aan God zeggen en alles wat Hijzelf aan ons zegt, geen enkel nut voor ons - of toch weinig -, tot het moment dat we in de geest van de Apostel (Paulus) kunnen zeggen: Heer, wat wilt U dat ik doe? (Cfr. Hnd. 9,6). Want God weet wat Hij doen moet en onze overgave is Hem veel aangenamer dan dat we Hem uit eigen beweging buitengewone dingen voor Zijn eer zouden beloven. Wat we ook zouden kunnen doen of zeggen. God vraagt en verlangt niets zozeer van ons dan ons uit de grond van ons hart te horen zeggen: Heer, moge Uw wil, die mij bovenal dierbaar is, geschieden!

De uitnodiging om helemaal onverschillig te worden voor onze gemoedstoestanden wijst op de Tauleriaanse inspiratie van deze tekst: het enige dat telt is de wil van God, die om zichzelf gewild wordt, zonder rekening te houden met onze gevoelens of gewaarwordingen. De heiligheid bestaat er niet in krachttoeren uit te halen voor God, maar God in ons te laten doen wat Hij wil. We moeten ons niet ongerust maken: "God weet wat Hij doen moet", en in elk geval kan Hij niet anders dan het goede voor ons willen, en ons geluk - totaal en onmiddellijk - want Hij houdt meer van ons dan wij het ooit zullen doen.

Muziek:

2. Wie door een volmaakte onthechting zijn wil heeft neergelegd in Gods handen en deze aan Hem heeft gehecht, neemt van ganser harte alles aan wat hem overkomt in de tijd en de eeuwigheid; alles wat God van hem vraagt, voert hij graag uit en hij richt al zijn verlangens op de wil van Hem die voor hem alles in alles is...

Deze harmonie van de ziel in eenklank met God verwijst naar Ruusbroec en naar zijn "ghemeyn leven": zonder enige terugkeer op zichzelf beleeft de vriend van God op een vanzelfsprekende manier de gebeurtenissen zoals ze zich voordoen, in een perfect samengaan van de actie en de contemplatie, van Martha en Maria, en met als enige zorg "de wil van Hem die voor hem alles in alles is" geen verdriet aan te doen.

Muziek:

3. Wie volledig afstand van zichzelf genomen heeft en alles heeft verlaten, gaat zover binnen in God, dat wie hem wil aanraken eerst God moet aanraken; een mens die zo onthecht is, verblijft immers in God, en omgekeerd woont God in hem. Hij ontvangt alles wat hem overkomt als komend uit de hand van de Heer en hij dankt en looft Hem er voor. Zo ziet hij in alles de uitdrukking van Gods wil en hij vindt een verborgen en onzegbare smaak in alle dingen.

Na een kleine muzikale onderbreking lezen we eerst het vierde paragraaf vooralleer we de tekst van beide paragrafen becommentariëren.

Muziek:

4. Niets kan ons van Godswege overkomen dat onaangenaam of bitter is want net zoals een drank onze smaak niet kan binnenvloeien als hij niet eerst over onze tong is gevloeid, is iemand die volledig afstand heeft gedaan van zichzelf - wat de ondeugden betreft - en die reeds in God gestorven is, zozeer langs alle kanten door God omringd, dat het onmogelijk is dat enig schepsel hem nabij komt zonder eerst tot God te naderen. Want alles komt eerst bij God en dan pas bij de mens, en in God wordt alles heel goddelijk gekruid. Vandaar dat het hem geen moeite kost het kwaad dat hem treft te dragen, hoe pijnlijk het ook is; want God is de eerste die het draagt en Hij laat het maar toe wanneer het hem ten goede komt. Ook neemt hij het alleen aan als komend uit Gods hand en niet vanwege degene die het hem aandoet, want dat zou de natuurlijke krachten te boven gaan.

In de laatste twee paragrafen wordt de klemtoon Eckhartiaans: "verborgen in God met Christus" (Kol. 3, 3) wordt de mens even onkwetsbaar als God zelf. Niets komt nog tot hem dat niet uit Gods hand komt, en alles wat hem vijandig was, verandert in een blijk van liefde: "Als iemand een gewicht van honderd kg op mijn nek legde, zegt Eckhart, en als iemand anders het dan boven mijn nek kwam optillen, zou ik er zowel honderd als één kunnen dragen, want het zou niet zwaar voor me zijn en me evenmin pijn doen." (Preek 2)

Muziek:

Ziezo, vooralleer we deze bijdrage afronden nemen we de tekst nogmaals in zijn geheel door, om die - nu we die in kleinere stukjes hebben gelezen en kort hebben besproken - nog beter tot ons te laten doordringen: Paragrafen 1-4

Muziek:

Slot:

Na een grote sprong terug in de tijd van de Rijnlandse mystiek, en deze van de Nederlanden met de Institutiones, komen we volgende week heel dicht naar het heden, en heel vlak bij. Van een groot studie- en redactiewerk, gaan we naar eenvoudige notities van ervaringen, opgesteld om de pastoor in staat te stellen bij een specialist raad te vragen of dit wel een juiste en aan te bevelen ervaring betrof. Volgende keer nemen we namelijk een tekst van Jeanne Schmitz-Rouly ter hand. Ze werd in 1891 geboren te Bergen (Mons), en bracht het grootste gedeelte van haar leven in Brussel door. Ze was moeder van drie kinderen, en werd weduwe in 1942. Ze overleed in 1979. De teksten die we van haar hebben, werden toevallig teruggevonden in 1995, en zijn gekenmerkt door een zeldzame mystieke heftigheid. Dat rijke innerlijke leven is nochtans voor de mensen in haar omgeving volledig onopgemerkt gebleven.

Muziek: