Binnenskamers

Vijfde editie
Gerlach Peters (1378-1411): "Brandende alleenspraak met God"

Programma "Binnenskamers" presenteert sterke en diepe teksten van heiligen en van mystieke auteurs voornamelijk over de intieme (gebeds)relatie met God; Pareltjes vanuit onze rijke schat aan Christelijke spirituele traditie.

Inleiding

In de vorige editie, zijn we met de teksten van Pierre de Clorivière dieper ingetreden in het thema van het gebed van rust. We waren daarmee weer dichter bij het aspect van de contemplatie beland.

Deze keer nemen we teksten die handelen over het hart van de eenheid met God. Deze teksten komen van dichter bij huis, maar in de tijd zitten we echter weer een grote stap in het verleden (eind 14e en begin van de 15e eeuw). Het is een periode van religieuze onrust. Daarin nodigt Gerlach Peters ons in zijn werk de Brandende Alleenspraak uit om in de inkeer en de persoonlijke relatie tot Christus de zekerheid en de steun te vinden die de verzwakte christenheid uiterlijk niet meer biedt. Hoewel de tekst meer mystiek van aard is en zeer Ruusbroeckiaanse termen bevat, vertoont hij een duidelijke verwantschap met de Navolging van Thomas a Kempis, tijdgenoot van Gerlach. Men vindt er ook een degelijke leer van de onderscheiding van de geesten, die zal uitmonden in de Geestelijke Oefeningen van Ignatius; een eeuw later zal deze die erfenis van de grote traditie van het Noorden ontvangen.

Muziek:

De auteur

Gerlach Peters Geboren te Denver (Nederland) (in 1378-1411), ondergaat daar de krachtige invloed van de Broeders van het Gemene Leven, gesticht door Geert Grote (1340-1384) en georganiseerd door Florens Radewijns (1350-1400), die de humanistische en mystieke erfenis van Ruusbroec (1295-1381) cultiveren, bij het begin van de Devotio moderna. Gerlach Peters treedt in bij de reguliere kanunniken van Windesheim. Ziekelijk en bijna blind als hij was (zijn geschriften zijn ter hand genomen en geordend door een medebroeder Jan Scutken) heeft hij slechts twee brieven en twee korte traktaten nagelaten, waaronder het Soliloquium, dat een groot succes kende sinds de eerste uitgave ervan in 1616.

Muziek:

Laten we nu het eerste paragraaf aanpakken van deze heel diepgaande tekst.

Par.1. U dank ik, mijn licht, mijn eeuwig en onvergankelijk licht, opperst en onvergankelijk goed... Ik zie dat Gij mij hartstochtelijk liefhebt en dat, wanneer ik in U blijf, het voor U even onmogelijk is mij uw zorgende liefde te onttrekken, wanneer of waar, of in welke omstandigheden ook, als uzelf uit het oog te verliezen. Gij geeft uzelf geheel aan mij om totaal en onverdeeld van mij te zijn, als ik maar even geheel de uwe ben. En als ik zo geheel de uwe ben, dan hebt Gij mij van eeuwigheid bemind, zoals Gij uzelf van eeuwigheid bemind hebt. Dat betekent niets anders dan dat Gij uzelf geniet in mij en ik door uw genade U geniet in mij en mij in U. Wanneer ik mezelf daar liefheb, bemin ik niets anders dan U. Gij zijt immers in mij en ik in U, zo hecht aaneengevoegd, dat deze vereniging, zoals zij is, in der eeuwigheid niet ontbonden kan worden. Als ieder van ons het goede en de deugden in de ander bemint, wil dat niets anders zeggen dan dat Gij uzelf bemint. Blijf ik volledig en totaal in U, dan kan ik evenmin verloren gaan als U...

Dat Gij uzelf geniet in mij en ik... mij (geniet) in U: wanneer de liefde volkomen is, moet degene die bemint niet meer kiezen tussen God, de naaste en zichzelf, in het hart van de Drievuldigheid zijn de minnaar, de geliefde en de beminnelijke één. Ouder dan Ruusbroec, herkent men hier de vierde (en laatste) wijze van minne zoals sint Bernardus die beschrijft in zijn traktaat God beminnen (De diligendo Deo), geschreven voor Haimeric van La Châtre (in het departement Indre in Frankrijk), een tekst waaraan de hele mystieke traditie uit het Noorden schatplichtig is.

Met een kort stukje muziek willen we dit even laten bezinken voor we het volgende paragraaf aansnijden.

Muziek:

Luisteren we nu naar het volgende paragraaf:

Par.2. De ziel, die geworden is wat God is, stroomt over van verrukking in alles. Zij staat, gaat voorbij en schrijdt voort met God en in God, en des te meer in God naarmate zij minder is in zichzelf, want in alles heeft zij zich vergeten en is overgegaan in God. Omhuld is zij met een mantel van licht, het licht van de eeuwige Wijsheid, aan alle zijden omringd met waarheid en gerechtigheid als met een onoverwinnelijk schild en laaiend van liefdegloed. Zoals immer gloeiend ijzer één en al vuur wordt, zo wordt de ziel, verenigd met de liefde, één en al liefde, met behoud nochtans van wat eigen is aan haar wezen, dat in eeuwigheid noodzakelijk onderscheiden blijft. Daarom moet de met God verenigde ziel al wat haar te doen staat volkomen door God en in God verrichten. Ook zal ze aanhoudend opzien naar de waarheid, de eeuwige wijsheid, de gerechtigheid, het opperste goed en navorsen hoe zij alles bezien, het gelijkvormige en het niet-gelijkvormige, het gelijksoortige en het ongelijksoortige, het goede en het kwade, het inwendige en het uitwendige, en niettemin onveranderlijk blijven staan...

Op het einde van de inkeer is de ziel, die nu overgegaan is in God, tot evenwicht gebracht boven zichzelf: Waar zou ik U vinden, Heer, tenzij in U boven mij? (Sint Augustinus, Belijdenissen X, 26). Dit is het overwezenlijke leven van Ruusbroec, waarin de ziel bekleed wordt met alle eigenschappen van God (de eigenschappen alleen, want ze behoudt dat wat eigen is aan haar eigen wezen): ze verblijft in Hem, handelt in Hem, zonder dat er concurrentie zou zijn tussen de twee. Zo wordt, nog steeds volgens Ruusbroec, dit overwezenlijke leven een ghemeyn leven, dat wil zeggen: een leven waarin contemplatief en actief onlosmakelijk zijn. Het beeld van het gloeiende ijzer dat straalt, wordt gebruikt door alle auteurs sinds sint-Bernardus.

Muziek:

Par.3. Voor deze [zielen] hebben de dingen die buiten zijn geen belang, (zo gaat Gerlach Peters verder) hoe ze ook geschieden, zus of zo, voor of tegen, hoopvol op hopeloos, omdat niets van dit alles de ziel raakt in het hoogste van haar gelijkvormigheid en in haar vernieuwd leven... Martha moet er zijn en blijven, zij het beneden; laat zij zich druk maken om vele zaken zo dat nodig is. Maar aan het enig noodzakelijke dient Maria zich toe te wijden. Zij moet zich vrij houden voor het eeuwige Woord, voor de gerechtigheid en de wijsheid, voor de waarheid en de vrede, zodat in een en dezelfde mens beide levensvormen, ieder op zijn eigen plaats, hun beoefening en hun voltooiing vinden.

Elke tegenstelling tussen Martha en Maria is nu opgeheven: de ziel is innerlijk aanwezig bij God en uiterlijk bij de wereld, ze is actief in de gebeurtenissen zonder erdoor gehinderd te worden, zoals God zelf. Ze heeft het evenwicht van voor de zondeval hervonden, het evenwicht tussen natuur en genade, tussen haar geschapenheid uit stof en as en haar bovennatuurlijk leven in de adem van God.

Muziek:

Ziezo, vooralleer we deze bijdrage afronden nemen we de tekst nogmaals in zijn geheel door, om die - nu we die in kleinere stukjes hebben gelezen en besproken - nog beter tot ons te laten doordringen: Paragrafen 1-3

Muziek:

Slot:

Vanuit een periode van religieuze onrust, nodigt Gerlach Peters ons in zijn werk de Brandende Alleenspraak uit om in de inkeer en de persoonlijke relatie tot Christus de zekerheid en de steun te vinden die de verzwakte christenheid uiterlijk niet meer biedt. Wellicht een gedachte die ons vandaag niet koud laat.

Volgende keer staan we stil bij een tekst "Institutiones" genaamd, die onder de naam van Tauler tot ons zijn gekomen. Ze bevat teksten van talrijke Rijnlandse en Vlaamse auteurs, van Eckhart tot Ruusbroec of zijn tijdgenoot Rulman Merswin. Daarin zullen we stilstaan bij een niet onbelangrijke gesteltenis van ons hart, nl.: "Uw wil geschiede"!

Tot volgende keer, of misschien moeten we er naar oude gewoonte aan toevoegen: "als 't God belieft".